Positief leefklimaat

Wat begrijpen we onder ‘positief leefklimaat’?

Een positief, open leefklimaat zorgt voor de vervulling van de psychologische basisbehoeften, zoals omschreven in de zelfdeterminatietheorie. Deze motivatietheorie, stelt dat mensen – naast hun fysieke behoeften (bed, bad, brood) – ook drie essentiële psychologische basisbehoeften hebben: de behoefte aan autonomie, betrokkenheid en competentie (ABC).

Definitie

Peer Van der Helm, Kuipers en Stams (2018, p. 340) definiëren een positief leefklimaat als volgt: 

“De kwaliteit van de fysieke en sociale omgeving, in termen van het voorzien in voldoende en noodzakelijke voorwaarden voor fysieke en mentale gezondheid, welzijn, contact, en persoonlijke groei van jeugdigen, met respect voor hun menselijke waardigheid en mensenrechten, alsook hun persoonlijke autonomie, gericht op herstel en succesvolle participatie in de maatschappij.” 

Dimensies van een positief leefklimaat 

Van der Helm (2011) omschrijft in zijn proefschrift ‘First do no harm’ de elementen steun, groei, repressie en sfeer als “de belangrijkste klimaatcategorieën”, waarmee verwezen wordt naar de dimensies waaruit het leefklimaat is opgebouwd.  

Aan de hand van deze elementen kan een inschatting worden gemaakt in welke mate het klimaat open of gesloten is. Alle factoren van het leefklimaat zijn in principe beïnvloedbaar en kunnen aanleiding zijn voor het ontwikkelen van concrete handvatten voor hulpverleners. 

Ondersteuning  

Met het element ondersteuning wordt de steun en responsiviteit van hulpverleners bedoeld. Steun houdt in dat er betekenisvolle bindingen tussen jongeren en hulpverleners ontstaan. Responsiviteit beschrijft hoe hulpverleners reageren op de behoeften van jongeren, dat jongeren aandacht krijgen, dat klachten serieus worden genomen en dat er vertrouwen is in de begeleiding. Responsiviteit gaat over de interactie tussen de jongere, de hulpverlener en de specifieke pedagogische omgeving.  

De relatie tussen de begeleider en de jongere wordt dan ook gezien als een centraal bestanddeel in de vormgeving van een positief leefklimaat. Een medewerker die steun kan bieden, stimuleert, betrouwbaar en consistent is en respect toont, creëert veiligheid wat op zijn beurt een vruchtbare voedingsbodem vormt voor het leren en ontwikkelen van kinderen en jongeren. Bovendien beïnvloedt een responsieve, professionele relatie het gedrag van de jongere en diens mogelijkheid om om te gaan met depressieve gevoelens. In het onderzoek van Ros et al. (2013) werd aangetoond dat hoe hoger de responsiviteit van begeleiders is, hoe minder agressie-incidenten er zijn.  

Groei 

Het tweede element, groei, beschrijft in welke mate de jongeren ervan overtuigd zijn dat hun verblijf nut heeft, dat het verblijf hoop geeft op de toekomst en dat ze iets leren. Het verwijst naar zingeving, perspectief en de omstandigheden in de voorziening die het voor de jongeren gemakkelijker maken om te leren en zich voor te bereiden op een goed leven binnen en buiten de voorziening, al dan niet met de steun van het netwerk. Opnieuw ligt hier een belangrijke rol voor de hulpverlener weggelegd: het is zijn of haar taak om te helpen bij ontwikkeling en dit als zodanig te stimuleren en te benoemen.  

Repressie 

Als derde element beschrijft repressie het aantal regels en de handhaving ervan, gebrek aan flexibiliteit op de leefgroep, de mate en eerlijkheid van controle door de begeleiders, het vertrouwen in begeleiding, de aanwezige privacy en verveling op de leefgroep. Repressie ontstaat door het onvoorspelbaar handelen van de medewerker (gebrek aan structuur) of door een te veel aan structuur waardoor de medewerker niet-proportioneel handelt. Dit laatste wordt vaak veroorzaakt door handelingsverlegenheid bij de medewerkers. Structuur bieden en ingrijpen wanneer het mis dreigt te gaan, wordt bijgevolg niet onder repressie verstaan. Eerlijkheid, transparantie en contact houden zijn de belangrijkste competenties van hulpverleners om repressief optreden te voorkomen.  

Sfeer  

Bij sfeer gaat het over de sociale en fysieke omgeving, waarin sprake is van structuur, veiligheid en vertrouwen tussen de jongeren. Een opgeruimde, schone omgeving met voldoende rust, daglicht en frisse lucht is nodig voor het geestelijk welbevinden van jongeren en medewerkers. Bij veel incidenten gaan jongeren en medewerkers in ‘overlevingsstand’, net doordat de structuur en daarmee de veiligheid en het vertrouwen verdwijnt.  

Van bovenstaande vier elementen hebben ondersteuning en groei de meeste invloed op het leefklimaat. De invloed van repressie en sfeer is kleiner.  

Een positief, open leefklimaat zorgt voor de vervulling van de psychologische basisbehoeften, zoals omschreven in de zelfdeterminatietheorie. Deze motivatietheorie, stelt dat mensen – naast hun fysieke behoeften (bed, bad, brood) – ook drie essentiële psychologische basisbehoeften hebben: de behoefte aan autonomie, betrokkenheid en competentie (ABC). De theorie beschrijft het feit dat iedere persoon in zich de kracht draagt om aan zijn problemen op een constructieve wijze te werken, wanneer er voldoende ondersteuning komt vanuit de omgeving of kortom: de begeleider. De vervulling van de drie voorgenoemde psychologische basisbehoeften in de residentiële jeugdhulpverlening, leidt tot positieve gedragsverandering en verhoogt de interne motivatie van jongeren om hun individueel traject aan te vatten. Het ‘moeten’ veranderen, waarbij er sprake is van ofwel een externe ofwel een interne verplichting, geeft aanleiding tot het gebrekkig volhouden van de opgedragen gedragsverandering en een grotere mate van verzet en agressieve opstelling tegen begeleiding. Wanneer deze basisbehoeften gefrustreerd worden, ontstaat vaak probleemgedrag uit pijn en angst. Vandaar dat er binnen het gedachtegoed van ‘leefklimaat’ gefocust wordt op responsieve relaties met begeleiding, groei (competentie), structuur, veiligheid, onderlinge verhoudingen (atmosfeer) en afwezigheid van repressie of kortom: de klimaatcategorieën, zoals van der Helm (2011) de dimensies beschrijft waaruit het leefklimaat is opgebouwd. 

 

Bronnen: