Cijfers over kinderopvang baby's en peuters op lokaal niveau.
Cijfers op maatOntdek welke bronnen we gebruiken voor onze kwaliteitsvolle data.
Achtergrondinformatie en documentatieEind 2025 waren er 5.389 opvanglocaties voor baby's en peuters, goed voor een totaal van 92.819 vergunde plaatsen, een daling met 356 plaatsen (-0,4%) tegenover 2024.
De evolutie van het aantal plaatsen verschilt per gewest en provincie:
Er zijn in 2025 46,07 plaatsen per 100 kinderen tussen 0 en 3 jaar. Dit is een stijging ten opzichte van 2024 (45,66 plaatsen per 100 kinderen). De stijging komt doordat het aantal plaatsen minder afnam dan het aantal kinderen jonger dan 3 jaar.
In 2025 is 85,4% van de plaatsen voor baby’s en peuters inkomensgerelateerd, dit aandeel is gestegen tegenover 2024 (85,1%).
In totaal zijn er 79.271 vergunde plaatsen met inkomenstarief.
Ouders betalen er een tarief dat afhangt van hun gezinsinkomen.
De Vlaamse Regering investeerde de voorbije jaren in omschakeling van bestaande plaatsen naar inkomenstarief, creatie van nieuwe plaatsen inkomenstarief en vrije toegang tot de basissubsidie. Resultaat:
Het aandeel T2 plaatsen is sinds 2022 gevoelig gestegen naar 82,7% in 2025, in absolute cijfers zien we in 2025 een daling van 272 plaatsen tegenover 2024. Van die T2-plaatsen zijn er 3.620 plaatsen (3,9%) met subsidie om kwetsbare gezinnen extra te ondersteunen.
Opmerking: Deze cijfers omvatten ook 559 vergunde plaatsen die exclusief voor schoolkinderen bestemd zijn.
Het aandeel van de plaatsen met subsidie inkomenstarief verschilt per regio:
Het gebruik van kinderopvang wordt op twee manieren berekend:
We berekenen het aandeel kinderen tot 3 jaar dat in de maand september in de formele opvang aanwezig was.
Het gebruik van formele kinderopvang in september 2025 varieert naargelang de leeftijd van het kind.
We blikken voor de tweede berekeningsmethode terug op het opvanggebruik van kinderen tot 3 jaar sinds hun geboorte, zelfs als ze op het moment van de berekening niet meer in de opvang zitten.
Het gebruik van formele opvang varieert sterk naargelang de origine van de moeder en de kansarmoedesituatie van het gezin:
Het verschil in gebruik van formele kinderopvang tussen de kansengroepen is zichtbaar in alles provincies. Ook in vele gemeenten verschilt het gebruik naargelang de kansarmoedesituatie van het gezin en de origine van de moeder.
85,5% van de opgevangen kinderen gaat naar een locatie met inkomenstarief. Dat is een lichte stijging tegenover 2024 (85,4%) en grote stijging tegenover 2023 (78,2%).
Kinderen die niet in kansarmoede zijn geboren maken gemiddeld meer dagen gebruik van formele opvang dan kinderen die in kansarmoede geboren werden.
Dat verschil van 103 dagen wordt deels verklaard door de hogere instapleeftijd bij kansarme gezinnen (zie: Op welke leeftijd starten kinderen in de opvang?).
Ruim 28% van de kinderen die gebruik maken van formele kinderopvang, gaat naar een opvanglocatie in een andere gemeente dan de woonplaats. Dat aandeel stijgt jaar na jaar licht.
Er is veel lokale variatie: het percentage kinderen dat buiten de eigen gemeente wordt opgevangen verschilt sterk van gemeente tot gemeente. Bijvoorbeeld: bijna 15% van de kinderen die in Hasselt wonen en opvang gebruiken, gaat niet in Hasselt naar de opvang.
Voor meer detail: bekijk de gegevens per gemeente.
Een laag of hoog percentage opvang buiten de gemeente wijst niet automatisch op voldoende of onvoldoende opvangplaatsen in de eigen woonplaats.
Ouders kiezen bijvoorbeeld voor een andere gemeente, omdat:
Ruim 85% van de opgevangen kinderen gaat naar een opvanglocatie met inkomenstarief. Ouders betalen er een tarief dat afhangt van het gezinsinkomen. Enkel voor deze groep zijn er gedetailleerde cijfers beschikbaar over het betaalde dagtarief.
In 2025 bedroeg het gemiddeld inkomenstarief 18,01 euro per dag. Dat is een stijging van ruim 3% ten opzichte van 2024 – in lijn met de stijging van de index.
Het gemiddeld tarief dat gezinnen betalen in de inkomensgerelateerde kinderopvang varieert sterk naargelang de kansarmoedesituatie en de origine van de moeder.
Gezinnen die aan specifieke voorwaarden voldoen – zoals werkloosheid, een opleidingstraject, pleegzorg of andere situaties – kunnen in aanmerking komen voor een verminderd tarief.
In 2025 werd op 9,4% van de attesten een korting toegepast. Dat is een stijging ten opzichte van 2024, toen het aandeel 8,6% bedroeg.
Meest voorkomende kortingen
Naast het OCMW-tarief (toegepast bij 1,5% van de attesten), zijn kortingen wegens werkloosheid en invaliditeit het vaakst van toepassing.
Dat kinderen in kansarmoede gemiddeld een lager tarief betalen, is deels te verklaren doordat:
Gezinnen kunnen een belastingvermindering krijgen voor de kosten van kinderopvang.
Dat betekent dat de opvangkosten deels gerecupereerd kunnen worden via de belastingaangifte.
Meer informatie vind je op de website van de Vlaamse overheid.
Voor meer details en cijfers op lokaal niveau kan je terecht op de pagina Cijfers op maat
Daarnaast wordt er geregeld wetenschappelijk onderzoek gevoerd over kinderopvang en het gebruik ervan. De rapporten vind je op de pagina Achtergrondinformatie en documentatie.
Team Datamanagement bundelt wetenschappelijk onderzoek en datarapportering en -monitoring.