Cijferrapport

Kinderopvang baby's en peuters

Ga snel naar...

Cijfers over kinderopvang baby's en peuters op lokaal niveau.

Cijfers op maat

Ontdek welke bronnen we gebruiken voor onze kwaliteitsvolle data.

Achtergrondinformatie en documentatie
Kerncijfers over de door Opgroeien vergunde formele kinderopvang voor baby’s en peuters in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: het formele opvangaanbod, het gebruik van dit aanbod en het tarief dat de gezinnen betalen.

Plaatsen en locaties opvang baby's en peuters

Eind 2025 waren er 5.389 opvanglocaties voor baby's en peuters, goed voor een totaal van 92.819 vergunde plaatsen, een daling met 356 plaatsen (-0,4%) tegenover 2024.

  • In vergelijking met 2024 was er:
    • een toename van 815 plaatsen in de groepsopvang: hoofdzakelijk plaatsen met inkomenstarief
    • een toename van 137 plaatsen met inkomenstarief in de groepsopvang samenwerking
    • een daling van 1308 plaatsen in de gezinsopvang, waarvan 1098 plaatsen met inkomenstarief. 
  • Ondanks de sterke stijging in de groepsopvang komt de daling van het globaal aantal plaatsen door de daling in de gezinsopvang.

Redenen voor deze tendens

Verwachte evolutie in 2026

  • Verdere daling in 2026, mede ten gevolge van stopzetting van plaatsen bij organisatoren met een bezettingsgraad onder 80%.
  • Geen verlies van effectief gebruikte plaatsen; cijfers zullen beter afgestemd worden op de realiteit.
  • 2026: verwachte afname van minstens 2.500 plaatsen.

Evolutie lange termijn: groei ten opzichte van 2014

  • In vergelijking met 2014 zijn er in 2025 1.135 extra opvangplaatsen bijgekomen, wat overeenkomt met een stijging van 1,2%.
  • We zien het aandeel groepsopvang jaar na jaar groter worden van 61,6% in 2014 naar 71,6 % in 2025. Het aandeel gezinsopvang daalt van 34,1% naar 20,9%.

Regionale evolutie van opvangplaatsen in 2025

De evolutie van het aantal plaatsen verschilt per gewest en provincie

Per gewest

  • Vlaanderen: -301 plaatsen (-0,3%)
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: -55 plaatsen (-0,8%)

Per provincie

  • Antwerpen: +336 plaatsen (+1,3%)
  • West-Vlaanderen: -115 plaatsen (-0,7%)
  • Vlaams-Brabant: -196 plaatsen (-1,3%)
  • Limburg: -58 plaatsen (-0,6%)
  • Oost-Vlaanderen: -268 plaatsen (-1,3%)

Meer opvangplaatsen per 100 kinderen

Er zijn in 2025 46,07 plaatsen per 100 kinderen tussen 0 en 3 jaar. Dit is een stijging ten opzichte van 2024 (45,66 plaatsen per 100 kinderen).   De stijging komt doordat het aantal plaatsen minder afnam dan het aantal kinderen jonger dan 3 jaar.

Plaatsen met inkomenstarief

In 2025 is 85,4% van de plaatsen voor baby’s en peuters inkomensgerelateerd, dit aandeel is gestegen tegenover 2024 (85,1%). 
In totaal zijn er 79.271 vergunde plaatsen met inkomenstarief. 
Ouders betalen er een tarief dat afhangt van hun gezinsinkomen. 

Verdeling per subsidietrap eind 2025

De Vlaamse Regering investeerde de voorbije jaren in omschakeling van bestaande plaatsen naar inkomenstarief, creatie van nieuwe plaatsen inkomenstarief en vrije toegang tot de basissubsidie. Resultaat:

  • Het aantal niet-gesubsidieerde (T0) plaatsen is de laatste jaren gevoelig gedaald en bedroeg 3679 plaatsen (3,9%) in 2025. Dit is een daling van 375 tegenover 2024. 
  • Er zijn eind 2025 12.497 plaatsen met enkel de basissubsidie (13,4%)
  • Het aandeel T2 plaatsen is sinds 2022 gevoelig gestegen naar 82,7% in 2025, in absolute cijfers zien we in 2025 een daling van 272 plaatsen tegenover 2024. Van die T2-plaatsen zijn er 3.620 plaatsen (3,9%) met subsidie om kwetsbare gezinnen extra te ondersteunen.

    Opmerking: Deze cijfers omvatten ook 559 vergunde plaatsen die exclusief voor schoolkinderen bestemd zijn.

Het aandeel van de plaatsen met subsidie inkomenstarief verschilt per regio:

  • Limburg heeft het hoogste aandeel plaatsen met inkomenstarief: 89,7%
  • Vlaams-Brabant heeft het laagste aandeel binnen Vlaanderen: 79,4%
  • In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest krijgt 74,2% van de door Opgroeien vergunde plaatsen de subsidie inkomenstarief.

Gebruik van de opvang

Het gebruik van kinderopvang wordt op twee manieren berekend:

Methode 1: momentopname in september

We berekenen het aandeel kinderen tot 3 jaar dat in de maand september in de formele opvang aanwezig was.

  • In september 2025 maakte 51,9% van de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar uit het Vlaams Gewest gebruik van formele opvang. Dat is na jaren van daling opnieuw een stijging. In 2024 bedroeg dit 51,4%.
    De stijging komt door de daling van het aantal kinderen jonger dan 3 jaar.
  • In West-Vlaanderen ligt het gebruik traditioneel hoger. Ook in 2025 was dat zo: 58,1% van de kinderen gebruikte opvang.
  • Vlaams-Brabant had het laagste gebruik, met 47,9% van de kinderen in formele opvang.

Het gebruik van formele kinderopvang in september 2025 varieert naargelang de leeftijd van het kind.

  • Kinderen tussen 12 en 30 maanden maken het meest gebruik van opvang: bijna 7 op de 10 zitten in formele opvang.
  • Bij jongere baby’s is het gebruik aanzienlijk lager: 23,7% van de kinderen tussen 2 en 5 maanden ging in september naar formele opvang.
  • Kinderen vanaf 30 maanden maken nog minder gebruik van opvang: 12,8% zat in formele opvang. Veel kinderen gaan dan al naar de kleuterschool, wat het lagere cijfer verklaart.

Methode 2: terugblik op opvanggebruik sinds geboorte

We blikken voor de tweede berekeningsmethode terug op het opvanggebruik van kinderen tot 3 jaar sinds hun geboorte, zelfs als ze op het moment van de berekening niet meer in de opvang zitten.

  • In 2025 maakte 63,5% van de kinderen tussen 2 en 35 maanden sinds hun geboorte gebruik van formele opvang. Dat is vergelijkbaar ten opzichte van 2024 (63,4%).
  • Ook het opvanggebruik volgens deze berekeningsmethode verschilt per provincie:
    • West-Vlaanderen scoort het hoogst: 70,6% van de kinderen heeft er ooit formele opvang gebruikt.
    • In Vlaams-Brabant is dit 58,4%.
  • Deze berekeningsmethode toont aan dat bijna 3 op de 4 kinderen tussen 2 en 3 jaar  in hun eerste levensjaren aanwezig zijn geweest in de formele opvang
  • Ongeveer 25% van de kinderen gebruikt dus geen (door Opgroeien) vergunde formele opvang. Onderzoek toont aan dat sommige van deze kinderen wel informeel worden opgevangen, en dat er veel uiteenlopende redenen zijn waarom ouders formele opvang niet gebruiken.

Provinciale verschillen in gebruik naar leeftijd

  • In West-Vlaanderen maakte 80,3% van de kinderen tussen 30 en 35 maanden sinds hun geboorte gebruik van formele opvang vergund door Opgroeien.
  • In Vlaams-Brabant ligt dat aandeel aanzienlijk lager: 67,9%.

Verschillen in gebruik naar origine en kansarmoede

Het gebruik van formele opvang varieert sterk naargelang de origine van de moeder en de kansarmoedesituatie van het gezin:

  • Kinderen met een moeder van Belgische origine75,8% maakte ooit gebruik van formele opvang.
  • Kinderen van moeders met een andere origine kennen een lager aandeel opvanggebruik (41,5%). Voorbeeld: nog geen 30% van de kinderen met een moeder met geboortenationaliteit uit een Maghrebland maakte gebruik van formele opvang.
  • Kinderen in kansarmoede maken minder gebruik van formele opvang dan kinderen die niet geboren werden in kansarmoede:  38% versus  68,4%.
  • Onderstaande figuur geeft aan dat zowel kansarmoede, als origine een rol lijken te spelen in het opvanggebruik. 
    • Het opvanggebruik ligt het laagst bij kinderen in kansarmoede met een moeder van niet-Belgische origine (34,4%), bij kinderen in kansarmoede met een moeder van Belgische origine ligt het opvanggebruik hoger (51,6%) 
    • Ook al is er geen sprake van kansarmoede, ook dan zien we verschillen naargelang de origine van de moeder (45,2% versus 78,4%) 

Het verschil in gebruik van formele kinderopvang tussen de kansengroepen is zichtbaar in alles provincies. Ook in vele gemeenten verschilt het gebruik naargelang de kansarmoedesituatie van het gezin en de origine van de moeder.

Naar welk type opvang gaan kinderen

Meeste kinderen in groepsopvang, maar gezinsopvang blijft belangrijk

Meer kinderen in opvang met inkomenstarief

85,5% van de opgevangen kinderen gaat naar een locatie met inkomenstarief. Dat is een lichte stijging tegenover 2024 (85,4%) en grote stijging tegenover 2023 (78,2%).

Op welke leeftijd starten kinderen in de formele opvang?

  • Van de kinderen geboren in 2023 die gebruik maken of maakten van formele opvang, startte 55% vóór de leeftijd van 6 maanden13,2% van de kinderen begon pas na hun eerste verjaardag met formele opvang.
  • Kinderen met een moeder van Belgische origine starten duidelijk jonger met formele opvang dan kinderen van moeders met een andere herkomst.

 

 

Hoe dikwijls gaan kinderen naar de opvang?

  • Kinderen geboren in 2023 die gebruik maken van formele opvang, gingen gemiddeld 290 dagen naar de opvang tijdens hun eerste drie levensjaren.
  • Het gemiddeld aantal dagen ligt het hoogst in het tweede levensjaar (140 dagen). 
    In het eerste levensjaar gaat men gemiddeld 74 dagen naar de opvang, in het derde levensjaar 97 dagen.
  • Achter het gemiddelde schuilen grote individuele verschillen:
    • 8,5% van de kinderen ging maximaal 100 dagen naar de opvang.
    • 30,4% maakte 300 tot 400 opvangdagen gebruik van de opvang.
    • 17,7% ging meer dan 400 dagen.

Minder intensief gebruik bij kansarme gezinnen

Kinderen die niet in kansarmoede zijn geboren maken gemiddeld meer dagen gebruik van formele opvang dan kinderen die in kansarmoede geboren werden. 

  • Kinderen in kansarmoede met een moeder van niet-Belgische origine gingen gemiddeld 202 dagen naar opvang.
  • Kinderen niet in kansarmoede met een moeder van Belgische origine gingen gemiddeld 305 dagen.

Dat verschil van 103 dagen wordt deels verklaard door de hogere instapleeftijd bij kansarme gezinnen (zie: Op welke leeftijd starten kinderen in de opvang?).

Waar gaan kinderen naar de opvang?

Steeds meer kinderen gaan naar opvang buiten de eigen gemeente

Ruim 28% van de kinderen die gebruik maken van formele kinderopvang, gaat naar een opvanglocatie in een andere gemeente dan de woonplaats. Dat aandeel stijgt jaar na jaar licht.

Er is veel lokale variatie: het percentage kinderen dat buiten de eigen gemeente wordt opgevangen verschilt sterk van gemeente tot gemeente. Bijvoorbeeld: bijna 15% van de kinderen die in Hasselt wonen en opvang gebruiken, gaat niet in Hasselt naar de opvang.
Voor meer detail: bekijk de gegevens per gemeente.

Een laag of hoog percentage opvang buiten de gemeente wijst niet automatisch op voldoende of onvoldoende opvangplaatsen in de eigen woonplaats.

Ouders kiezen bijvoorbeeld voor een andere gemeente, omdat:

  • de opvang dichter bij het werk ligt
  • het tarief voordeliger is
  • de opvang beter aansluit bij hun voorkeuren

Hoeveel betalen gezinnen in de opvang?

Ruim 85% van de opgevangen kinderen gaat naar een opvanglocatie met inkomenstarief. Ouders betalen er een tarief dat afhangt van het gezinsinkomen. Enkel voor deze groep zijn er gedetailleerde cijfers beschikbaar over het betaalde dagtarief.

Gemiddeld inkomenstarief stijgt mee met index

In 2025 bedroeg het gemiddeld inkomenstarief 18,01 euro per dag. Dat is een stijging van ruim 3% ten opzichte van 2024 – in lijn met de stijging van de index.

Verdeling van gezinnen volgens het betaalde inkomenstarief

  • 35,8% van de gezinnen betaalt minder dan 15 euro per dag en 16% betaalt hoogstens het standaardminimumtarief van 6,47 euro;
  • 22% van de gezinnen betaalt meer dan 25 euro per dag.
    Louter door de indexering van het inkomenstarief is dit aandeel aanzienlijk gestegen de laatste jaren.

Gemiddeld inkomenstarief verschilt sterk naar kansarmoede en origine

Het gemiddeld tarief dat gezinnen betalen in de inkomensgerelateerde kinderopvang varieert sterk naargelang de kansarmoedesituatie en de origine van de moeder.

Verschil naar kansarmoede

  • Kinderen in kansarmoede: gemiddeld 6,95 euro per dag
  • Kinderen niet in kansarmoede: gemiddeld 19,20 euro

Verschil naar origine van de moeder

  • Moeder van niet-Belgische origine: gemiddeld 12,33 euro
  • Moeder van Belgische origine: gemiddeld 19,96 euro

Genuanceerd beeld volgens kansarmoede en origine

  • Binnen de groep kinderen in kansarmoede is het verschil beperkt:
    • Belgische origine: 7,88 euro
    • Niet-Belgische origine: 6,46 euro
  • Binnen de groep kinderen die niet in kansarmoede leven is het verschil groter:
    • Belgische origine: 20,45 euro
    • Niet-Belgische origine: 14,01 euro

Individuele korting op inkomenstarief voor bepaalde gezinnen

Gezinnen die aan specifieke voorwaarden voldoen – zoals werkloosheid, een opleidingstrajectpleegzorg of andere situaties – kunnen in aanmerking komen voor een verminderd tarief.

In 2025 werd op 9,4% van de attesten een korting toegepast. Dat is een stijging ten opzichte van 2024, toen het aandeel 8,6% bedroeg.

Meest voorkomende kortingen

Naast het OCMW-tarief (toegepast bij 1,5% van de attesten), zijn kortingen wegens werkloosheid en invaliditeit het vaakst van toepassing.

Lager tarief bij kinderen in kansarmoede

Dat kinderen in kansarmoede gemiddeld een lager tarief betalen, is deels te verklaren doordat:

Gezinnen kunnen een belastingvermindering krijgen voor de kosten van kinderopvang.
Dat betekent dat de opvangkosten deels gerecupereerd kunnen worden via de belastingaangifte.

Meer informatie vind je op de website van de Vlaamse overheid.

Meer cijfers en rapporten 

Voor meer details en cijfers op lokaal niveau kan je terecht op de pagina Cijfers op maat

Daarnaast wordt er geregeld wetenschappelijk onderzoek gevoerd over kinderopvang en het gebruik ervan. De rapporten vind je op de pagina Achtergrondinformatie en documentatie.

Ook interessant
Nog niet gevonden wat je zocht?
Vraag het aan team Datamanagement
Diederik Vancoppenolle, wetenschappelijk adviseur Opgroeien

Team Datamanagement bundelt wetenschappelijk onderzoek en datarapportering en -monitoring. 

Team Datamanagement