Cijfers over geboorte en vruchtbaarheid op lokaal én internationaal niveau.
Cijfers op maatOntdek welke bronnen we gebruiken voor onze kwaliteitsvolle data.
Achtergrondinformatie en documentatieIn 2025 registreerde Kind en Gezin 63.073 geboorten bij moeders met een woonplaats in het Vlaamse Gewest. Dat zijn er 442 meer dan in 2024 (+0,7%). In de som van het officiële – voorlopige - geboortecijfer van Statbel en de geboorten in het wachtregister zien we ook een beperkte stijging (+1,2%).
Sinds 2011 kent het geboortecijfer vooral een dalende trend, met de toename in 2021 (+4,6%) als grote uitzondering. Het geboortecijfer 2025 ligt wel nog iets boven de geboortecijfers van de periode 2001-2003 toen er minder dan 62.000 kinderen werden geboren.
Het geboortecijfer stijgt in 2025 in de provincies Vlaams-Brabant (+2,8%), West-Vlaanderen (+1,3%) en in Oost-Vlaanderen (+1%). In Limburg (-1%) en Antwerpen (-0,4%) daalt het geboortecijfer t.o.v. 2024. Om de evolutie zuiver te kunnen berekenen, telden we de geboorten van 2024 al volgens de nieuwe indeling in fusiegemeenten die begin 2025 werd ingevoerd.
Juli was de maand waar in 2025 (volgens de gegevens van Kind en Gezin) het hoogste aantal kinderen (5.739) werd geboren. In februari en november werden het minste kinderen geboren (telkens minder dan 5.000 kinderen). Zowel in het eerste (+0,5%) als in het tweede semester van 2025 (+0,9%) zien we een toename van het aantal geboorten tegenover 2024. Achter die algemene stijging per semester gaat wel een meer gevarieerde evolutie per maand schuil waarin de ene maand meer en de andere minder geboorten kende in vergelijking tot 2024. De afname in februari (-3,3%) heeft zeker te maken met het feit dat 2024 een schrikkeljaar was en februari in 2025 dus een dag minder telde. De sterkste stijging deed zich in juni voor (+5,3% tegenover juni 2024).
Om de evolutie van het aantal geboorten te kunnen duiden, kijken we naar evoluties in de samenstelling van de populatie vrouwen (qua aantal, leeftijd en nationaliteit) en naar vruchtbaarheidscijfers, die een indicatie geven over de verhouding tussen het aantal borelingen bij vrouwen en het totaal aantal vrouwen.
Als we het aantal vrouwen op de meest vruchtbare leeftijden (20-40 jaar) vergelijken op het niveau van het Vlaamse Gewest, zien we dat er in 2025 iets meer vrouwen tussen 20 en 40 jaar waren dan in 2024 (+5.448, +0,7%). De evolutie van het aantal geboorten zien we dus ook terug in de evolutie van het aantal vrouwen tussen 20 en 40 jaar. We weten op basis van niet opgenomen cijfers dat zowel het aantal vrouwen tussen 20 en 40 jaar van Belgische (+0,4%) als van niet-Belgische nationaliteit (+2,1%) is toegenomen t.o.v. 2024. De evolutie varieert wel naargelang de leeftijdsklasse.
Qua samenstelling van de populatie vrouwen zien we in 2025 een toename van het aantal vrouwen in de leeftijdsklassen 35-39 jaar (+2.846, +1,3%), 20-24 jaar (+2.186, +1,2%) en 25-29 jaar (+600, +0,3%). In de leeftijdsklasse 30-34 jaar zien we een beperkte afname van het aantal vrouwen (-184, -0,1%), maar wel verschillen naar leeftijdsjaar. Onderstaande grafiek toont een duidelijke daling van het aantal vrouwen van 30 jaar (-3,5%) en een beperkte daling bij de 31-jarigen (-1,2%), 2 leeftijden waarop heel wat vrouwen vaak hun eerste kind krijgen. Bij 34-jarigen zien we wel een toename.
Of het aantal geboorten beïnvloed werd door de mate waarin vrouwen in 2025 kinderen kregen, gaan we na aan de hand van vruchtbaarheidscijfers. De totale vruchtbaarheid drukken we uit in aantal kinderen per vrouw. Eigenlijk is dat een virtueel aantal kinderen dat per vrouw geboren zou worden, omdat het de optelsom is van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers die in een bepaald kalenderjaar worden vastgesteld, terwijl vrouwen kinderen krijgen in de loop van meerdere kalenderjaren.
We zien op basis van gegevens en berekeningen van Opgroeien dat het totale vruchtbaar-heidscijfer (TVC) nagenoeg stabiel blijft in 2025. In 2024 lag het TVC op het laagste peil in de voorbije 20 jaar. Het TVC voor Belgische vrouwen nam beperkt toe (van 1,37 naar 1,38). Het TVC voor niet-Belgische vrouwen nam af (van 2,17 naar 2,15).
Onderliggend aan de beperkte evolutie van het TVC t.o.v. 2024 zien we een gevarieerde evolutie van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers van vrouwen van verschillende leeftijdsklassen:
Dat het aantal geboorten verschilt tussen de provincies komt uiteraard ook deels voort uit een verschil in vruchtbaarheidscijfers. In Antwerpen ligt het TVC het hoogst (1,56), in Limburg het laagst (1,40). In Vlaams-Brabant stijgt het TVC het sterkst (van 1,48 in 2024 naar 1,51 in 2025), vooral door een stijging van het TVC bij Belgische vrouwen.
Uit het dashboard met de provinciale cijfers leren we dat in 2025 enkel in de provincie Antwerpen de vruchtbaarheidscijfers van zowel Belgische als niet-Belgische vrouwen dalen. In de provincie West-Vlaanderen daarentegen stijgen de vruchtbaarheidscijfers van zowel de Belgische als niet-Belgische vrouwen. In de provincies Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen stijgen de vruchtbaarheidscijfers van de Belgische vrouwen, maar dalen deze van de niet-Belgische vrouwen. In Limburg daalt enkel het TVC van Belgische vrouwen en neemt het TVC van niet-Belgische vrouwen zeer beperkt toe.
De meest recent beschikbare Europese geboorte- en vruchtbaarheidscijfers gaan over het jaar 2024. In 2024 kenden Vlaanderen en België een daling van het geboortecijfer, net zoals bijna alle andere Europese landen. Enkel Luxemburg, Nederland en Finland kenden in 2024 een toename van het geboortecijfer. Het geboortecijfer daalde procentueel het sterkst in Hongarije, Roemenië, Letland en Estland. Enkel Letland, Roemenië, Slovakije, Litouwen, Italië en Spanje kenden in de periode 2017-2024 een aanhoudende daling van het aantal geboorten.
Vergeleken met de vruchtbaarheidscijfers van landen uit de Europese Unie voor 2024 situeert Vlaanderen (1,50) zich boven het Europese gemiddelde (1,34). Bulgarije is het land met het hoogste TVC (1,72), Malta het land met het laagste TVC (1,01).
Op basis van de meest recente vooruitzichten van het Federaal Planbureau en Statbel wordt voor 2026 een daling van het aantal geboorten verwacht, waarna het aantal geboorten weer en blijvend zou toenemen. In 2035 zouden we terug meer dan 66.000 geboorten kennen volgens die ramingen over het officiële geboortecijfer, al zal dat sterk afhangen van het feit of de assumpties over de evolutie en hoogte van vruchtbaarheidscijfers zich ook zal voordoen.
Er werden in 2025 – net zoals in de vorige jaren – meer jongens (51,3%) dan meisjes (48,7 %) geboren in het Vlaamse Gewest. We zien dit ook in elke provincie.
7,3% van de levend geboren kinderen werd prematuur geboren, waarvan 5,6% laat prematuur (34-36 weken).
Van 94,8% van de borelingen werd geregistreerd wat de pariteit was: 45,5% van de kinderen is het eerste kind van de moeder. 19,5% van de borelingen had rang 3 of hoger.
69,7% van de kinderen had bij geboorte een moeder die tussen 25 en 35 jaar was. 17,5% had een moeder tussen 35 en 40 jaar. In 2025 nam vooral het aandeel kinderen met een moeder tussen 25 en 30 jaar af en nam het aandeel moeders met een leeftijd tussen 30 en 40 jaar toe.
Het aandeel borelingen met een moeder jonger dan 20 jaar (0,9%) en het aandeel met een moeder ouder dan 40 jaar (3,8%) blijft beperkt en de laatste jaren vrij stabiel.
In 2025 nam het aandeel geboorten bij vrouwen onder de 30 jaar verder af. Sinds 2015 is het aandeel kinderen met een moeder onder de 30 jaar bij de geboorte zelfs afgenomen met meer dan 10 procentpunt (van 48,1% naar 37,8%).
We zien die verschuiving naar meer borelingen met een moeder van 30 jaar of ouder in de grafiek vooral bij de eerstgeborenen. Van de eerstgeborenen in 2025 heeft 50,7% een moeder jonger dan 30 jaar. In 2021 was dat nog 55,7%. 12,6% van de eerstgeborenen heeft een moeder van 35 jaar of ouder, een toename met 2,1 procentpunt sinds 2021.
In 2025 had 24,2% van de borelingen een moeder met een niet-Belgische nationaliteit. Dat is hoger dan de voorgaande jaren (21,3% in 2020). Het aandeel kinderen met een moeder met een niet-Belgische nationaliteit lag in 2025 het hoogst in de provincie Antwerpen (28,9%) en het laagst in de provincie West-Vlaanderen (20,3%).
Het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE) verspreidt relevante geboortegegevens op kindniveau volgens de geboorteplaats (terwijl Kind en Gezin rapporteert op basis van woonplaats bij geboorte). De onderstaande figuren bevatten cijfers over het aandeel borelingen dat in Vlaanderen geboren wordt via keizersnede of technische hulpmiddelen, het aandeel levend geboren kinderen dat overgebracht wordt naar een neonatale afdeling, het aantal levend geboren kinderen van een meerling en het aantal levend geboren kinderen met een laag geboortegewicht. De meest recente cijfers gaan over 2024.
Team Datamanagement bundelt wetenschappelijk onderzoek en datarapportering en -monitoring.