Details en historiek over de kansarmoede-index, gesitueerd ten opzichte van andere inkomensindicatoren op lokaal, gemeentelijk en provinciaal niveau.
Cijfers op maatOntdek welke bronnen we gebruiken voor onze kwaliteitsvolle data.
Achtergrondinformatie en documentatieOm gezinnen automatisch hun Groeipakket te kunnen (laten) uitbetalen worden er heel wat gegevens benut op basis van automatische stromen, waaronder ook gegevens over het inkomen van gezinnen. Het Groeipakket werkt met een geconstrueerd bruto belastbaar inkomensbegrip waarbij voor de inkomensverstrekkers in het gezin gegevens uit diverse bronnen samengeteld worden en waarbij sommige componenten een zwaarder gewicht krijgen. De inkomens hebben betrekking op het jaar T-2. Hoewel het inkomensbegrip daardoor niet perfect de reële en/of meest recente inkomens weerspiegelt, is het toch erg relevant om de inkomensverdeling op basis van de Groeipakket-gegevens te schetsen. Het gaat immers om data die beschikbaar zijn voor de hele populatie feitelijke gezinnen waar een kind met recht op het basisbedrag woont (meer dan 900.000 gezinnen), het gaat niet alleen om inkomens die op het aanslagbiljet vermeld staan en de data kunnen verbijzonderd worden naar gezinskenmerken (zoals aantal kinderen en aantal inkomensverstrekkers).
Onderstaande figuren zijn opgesteld per inkomensjaar. We tellen daarbij steeds het aantal gezinnen dat 2 jaar na afloop van het inkomensjaar woonde in het Vlaams Gewest. De gegevens over inkomensjaar 2023 gaan dus over feitelijke gezinnen die eind 2025 in Vlaanderen woonden en het inkomen dat de inkomensverstrekkers in die gezinnen hadden in 2023.
Ongeveer 14,6% van de gezinnen van 2025 had in 2023 een inkomen van minder dan 30.000 euro. 52,7% had een inkomen tussen 30.000 en 90.000 euro. 32,7% had een inkomen van minstens 90.000 euro, waarbij 7,2% minstens 150.000 euro.
De evoluties in de inkomensverdeling reflecteren uiteraard ook de indexeringen van lonen en uitkeringen. In 2022 en 2023 vonden meerdere indexeringen plaats, wat zeker mee verklaart waarom het aandeel gezinnen met een laag inkomen verder is afgenomen en waarom het aandeel gezinnen met een hoger inkomen toenam.
De inkomensverdeling op gezinsniveau verschilt tussen de provincies. In Antwerpen had 17,2% van de gezinnen een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30.000 euro, in de andere provincies en vooral in Vlaams-Brabant lag dat aandeel een stuk lager (12,5%). Vlaams-Brabant had in vergelijking met de andere provincies wel duidelijk een groter aandeel gezinnen met een bruto belastbaar gezinsinkomen van minstens 90.000 euro (38,4%).
Het gezinsinkomen verschilt sterk naarmate er 1 of 2 inkomensverstrekkers in een gezin zijn. 62,1% van de gezinnen met 1 inkomensverstrekker heeft een inkomen van minder dan 40.000 euro. Bij gezinnen met 2 inkomensverstrekkers is dat heel wat minder (9,9%).
Gezinnen met 1 rechtgevend kind op Groeipakket hebben in vergelijking met gezinnen met 2 en 3 kinderen vaker een inkomen onder de 40.000 euro en minder vaak een inkomen van minstens 90.000 euro.
4 op de 10 gezinnen met 4 kinderen heeft hoogstens een inkomen van 40.000 euro. Van de gezinnen met 5 of meer rechtgevende kinderen heeft 38,7% hoogstens een inkomen van 30.000 euro en slechts 20,1% een inkomen van minstens 60.000 euro.
Als we de inkomens van gezinnen vergelijken volgens de leeftijd van het oudste kind, dan stellen we vast dat gezinnen met oudere kinderen een groter aandeel gezinnen met een hoger inkomen kennen (minstens 90.000 euro). Het aandeel gezinnen met een beperkt inkomen verschilt slechts in beperkte mate. Dat gezinnen met een oudste kind van 18-24 jaar het hoogste aandeel gezinnen met een hoog inkomen kennen heeft zeker ook te maken met het feit dat voor kinderen van meer dan 18 jaar het recht op een Groeipakket is gekoppeld aan bepaalde voorwaarden (zoals studies).
In 2022 (meest recente gegevens) groeide 14,8% van de minderjarigen op in een gezin met een bruto belastbaar gezinsinkomen van maximaal 30.000 euro, waaronder 2,7% met een bruto belastbaar gezinsinkomen onder de 15.000 euro. 36,4% van de minderjarigen leefde met een gezinsinkomen van minstens 75.000 euro, bij 15,7% was dat meer dan 100.000 euro.
Kinderen in een eenoudergezin groeien veel vaker op met een lager inkomen. 47% van die kinderen heeft een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30.000 euro. Bij kinderen uit een tweeoudergezin is dat heel wat minder (9%).
In het dashboard bij Cijfers op maat vind je meer historiek en kan je deze gegevens tot op het niveau van een provincie en arrondissement bekijken. Dat dashboard bevat ook relevante gegevens over het belang van uitkeringen en van het Groeipakket.
In het Groeipakket bestaat voor gezinnen met een beperkt inkomen een selectief systeem van sociale toeslagen bovenop de universele basisbedragen. Die sociale toeslagen worden toegekend aan gezinnen met een inkomen onder bepaalde inkomensgrenzen.
Eind 2025 waren er 522.148 kinderen met een sociale toeslag, een afname met 18.292 kinderen (-3,4%) ten opzichte van december 2024.
De daling in 2025 is vooral te verklaren door een indexeringsasymmetrie: in 2024 werden de inkomensgrenzen sneller geïndexeerd dan de referentiegezinsinkomens, waardoor méér gezinnen recht hadden op een sociale toeslag. In 2025 lag de indexatie van de gebruikte referentiegezinsinkomens hoger dan deze van de inkomensgrenzen. Daardoor verloren een aantal gezinnen in 2025 de sociale toeslag.
Het aandeel kinderen met sociale toeslag lag eind 2025 het hoogst (35,1%) bij de kinderen van 6 tot en met 11 jaar. Bij de 18- tot 24-jarigen met een Groeipakket ligt het aandeel lager (27,1%), ook omdat het daar om een voorwaardelijk recht gaat.
In de provincie Antwerpen ligt het aandeel kinderen met een sociale toeslag het hoogst (36,6%) en in Vlaams-Brabant het laagst (27%). Op gemeentelijk niveau ontvangen zowel in Antwerpen, Oostende, Ronse als in Turnhout meer dan 50% van de kinderen met Groeipakket een sociale toeslag.
Meer info is te vinden in het dashboard lokale cijfers: gezinsbijslagen met cijfers over het Groeipakket op lokaal niveau of in het lokaal dashboard armoede.
In het Vlaamse onderwijs bestaan toeslagen uit het Groeipakket voor leerlingen met een beperkt gezinsinkomen. Het gaat om jaarbedragen die onder meer variëren naargelang onderwijsniveau, statuut van de leerling, gezinsinkomen en studierichting (enkel in het secundair onderwijs).
In het schooljaar 2025-2026 kregen 466.760 leerlingen die in het Vlaamse Gewest wonen een schooltoeslag (-7,1%). De daling doet zich in alle onderwijsniveaus voor.
Hiervoor geldt dezelfde reden als bij de sociale toeslag. Vorig jaar was er een sterke stijging door de indexeringsasymmetrie: in 2024 werden de inkomensgrenzen sneller geïndexeerd dan de gezinsinkomens, waardoor méér gezinnen recht hadden op een schooltoeslag. In 2025 werden voor de rechtenberekening inkomens gebruikt die meer waren gestegen dan de toegepaste inkomensgrenzen. Daardoor verloren een aantal gezinnen in 2025 de schooltoeslag.
Als we het aantal kinderen in Vlaanderen met een schooltoeslag (enkel voor die leeftijden die quasi allemaal naar school gaan) uitdrukken ten opzichte van alle kinderen gekend met een Groeipakket en/of een participatietoeslag, dan stellen we vast dat in elk van die leeftijdsklassen minstens 36% van de kinderen een schooltoeslag krijgt. Bij de 6 tot 11 jarigen gaat het om 39,4%.
Deze cijfers zijn per leeftijdsklasse ook op lokaal niveau beschikbaar.
De uitbetaalde bedragen verschillen naargelang het onderwijsniveau, maar (behalve in het kleuteronderwijs) ook naargelang het inkomen. Er bestaan vanaf het lager onderwijs dan ook 4 bedragscategorieën. Het soort toeslagbedrag geeft een aanduiding van de hoogte van het gezinsinkomen: uitzonderlijke toeslagen zijn het hoogst en worden toegekend aan gezinnen met een erg laag inkomen dat grotendeels uit uitkeringen bestaat, volledige toeslagen worden toegekend aan gezinnen met een inkomen onder de minimumgrens van de inkomensvork, verminderde toeslagen en minimumtoeslagen worden toegekend aan gezinnen met een inkomen tussen de inkomensgrenzen.
Het aandeel leerlingen met een volledige toeslag ligt in elk onderwijsniveau rond de 40% van het totaal aantal leerlingen met een schooltoeslag. Het aandeel leerlingen met uitzonderlijke toeslagen is erg beperkt (0,3%).
Leerlingen die een schooltoeslag krijgen, ontvangen gemiddeld 871 euro schooltoeslag per jaar in het secundair onderwijs en 190 euro in het lager onderwijs. Studenten uit de graduaatsopleiding Basisverpleegkunde krijgen gemiddeld een hoger bedrag. Kleuters krijgen een vast bedrag (127 euro in 2025).
In de ziekteverzekering bestaat er een systeem van een verhoogde tegemoetkoming voor personen die het financieel moeilijker hebben. Dat systeem voorziet in lagere persoonlijke bijdragen voor medische prestaties en hospitalisaties. Enerzijds heeft iedereen die bepaalde sociale uitkeringen krijgt (zoals bv. leefloon) automatisch recht op de tegemoetkoming. Anderzijds kan iedereen met een beperkt inkomen ook in aanmerking komen na een inkomensonderzoek. Sinds 1 oktober 2024 wordt voor een specifieke doelgroep het inkomensonderzoek ambtshalve toegekend.
In het Vlaamse Gewest heeft 16,1% van de kinderen onder de 5 jaar recht op een verhoogde tegemoetkoming in 2025. Bij 15- tot 20-jarigen loopt het aandeel op tot 20,8%.
We zien in 2025 voor elke leeftijd een stijging van het aandeel kinderen met een verhoogde tegemoetkoming.
In Antwerpen is het aandeel kinderen met recht op een verhoogde tegemoetkoming duidelijk groter dan in de andere provincies. Ruim 25% van de kinderen onder de 20 jaar heeft er recht op de verhoogde tegemoetkoming. In Vlaams-Brabant ligt het aandeel in alle leeftijdscategorieën het laagst. Het aandeel kinderen met recht op de verhoogde tegemoetkoming neemt in elke provincie toe met de leeftijd, maar de toename is groter in Limburg (13,3% bij de kinderen onder de 5 jaar, 20,8% bij jongeren tussen 15 en 20 jaar). In Cijfers op maat vind je de gemeentelijke cijfers over kinderen met een verhoogde tegemoetkoming, gesitueerd ten opzichte van andere inkomensindicatoren.
Uit de cijfers van het RIZIV blijkt dat in elke leeftijdscategorie onder de 20 jaar het aandeel kinderen in een gezin met automatisch recht lager ligt dan het aandeel kinderen in een gezin met recht na een aangetoond beperkt inkomen. Bij de 20- tot 24-jarigen zijn er wel meer personen met een automatisch recht dan na een aangetoond inkomen.
Op basis van de EU-SILC-enquête kunnen 3 indicatoren over armoede op kindniveau afgeleid worden:
De onderstaande tabel geeft de evolutie van die indicatoren weer voor de 7 meest recente SILC-enquêtes.
Er is in 2025 een verhoogd armoederisico bij 10% van de kinderen onder de 18 jaar. 12% van de kinderen leeft in een gezin waarvan de referentiepersoon stelt dat het moeilijk of zeer moeilijk is om de eindjes aan elkaar te knopen. Bij jongvolwassenen (18-24 jaar) is het armoederisico lager (8%) en ligt de subjectieve indicator net iets lager dan bij minderjarigen (10%).
6% van de minderjarigen bevindt zich in een situatie van ernstige materiële en sociale deprivatie. Uit de scores op de onderliggende items leiden we af dat 18% van de kinderen leeft in een gezin dat geen onverwachte uitgaven van 1.300 euro aankan en dat 15% van de kinderen geen week buitenshuis op vakantie kan. Toegang tot internet, het huis voldoende kunnen verwarmen en regelmatig een maaltijd met vlees, kip of vegetarisch alternatief gebruiken is voor veel minder kinderen (3% of minder) een probleem. Regelmatig deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten en 1 maal per maand afspreken om iets te eten of te drinken is voor ongeveer 1 op de 10 kinderen niet mogelijk.
Op al deze armoede-indicatoren scoren gezinnen met bepaalde kenmerken minder goed dan andere:
Aangezien de SILC-enquête in alle landen van de EU wordt afgenomen, kunnen we de situatie van Vlaanderen goed internationaal situeren.
Dit bestand schetst het aandeel kinderen met een verhoogd armoederisico in de EU-27-landen voor de leeftijdsgroep 0 tot 18 jaar in 2025.
Denemarken, Nederland en Slovenië kennen het laagste aandeel kinderen onder de armoederisicodrempel. Spanje kent het hoogste aandeel (28,4%), maar ook in Bulgarije leven meer dan 1 op de 4 kinderen onder de armoederisicodrempel. Vlaanderen situeert zich bij de landen met het laagste armoederisicocijfer. Het cijfer voor België (14,5%) ligt hoger dan dat van het Vlaamse Gewest (10%). Van de EU-27-landen zijn er nog 7 landen die een lager aandeel kinderen onder de armoederisicodrempel hebben dan België.
De officiële armoedestatistieken worden berekend op basis van de SILC-enquête bij een steekproef aan gezinnen. Doordat de omvang van de steekproef beperkt is, zijn er enkel armoedecijfers op gewestelijk niveau (niet per gemeente) en enkel voor zeer brede leeftijdsgroepen zoals minderjarigen (dus niet per leeftijdsklasse).
Om deze nadelen te verhelpen heeft Statbel het initiatief genomen om meer gedetailleerde armoedestatistieken te berekenen op basis van administratieve inkomensgegevens uit diverse bronnen. Het benut daarvoor gegevens over belastbare inkomens (zoals beroepsinkomsten, huurinkomsten, sociale uitkeringen naar aanleiding van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, pensioen, … ) én niet belastbare inkomens (zoals leefloon, inkomensvervangende tegemoetkoming, zorgbudgetten, …). Bij de berekening van het inkomen wordt ook rekening gehouden met voorafbetalingen, aftrekbare bestedingen en belastingsafrekeningen, worden een aantal inkomsten ingeschat en worden enkel personen meegerekend die voldoende zuiver aan een gezin of inkomen kunnen worden toegewezen. Inkomens op gezinsniveau worden vervolgens per individu berekend door toepassing van de equivalentieschaal. Voor meer info over de berekeningswijze zie Administratief beschikbaar inkomen | Statbel
Kortom, Statbel is er in geslaagd om op basis van een breed inkomensbegrip en gegevens over nagenoeg de hele populatie het equivalent beschikbare inkomen per persoon te berekenen. Daardoor kan het ook op kindniveau, per gemeente én per leeftijdsklasse nagaan hoeveel % van de kinderen opgroeien onder de armoederisicodrempel (dit is 60% van het nationaal mediaan equivalent administratief beschikbaar inkomen).
Onderstaande grafiek geeft weer dat er in 2023 in totaal 12,3% van de minderjarigen ‘at risk of poverty’ waren. Qua evolutie zien we voor het Vlaams Gewest eerder beperkte schommelingen.
Het aandeel kinderen onder de armoederisicogrens verschilde tussen de provincies (15,9% in Antwerpen en 9,8% in Vlaams-Brabant).
Op lokaal niveau zien we nog grotere verschillen. In 3 gemeenten lag in 2023 het aandeel minderjarigen onder de armoederisicogrens hoger dan 20% (Antwerpen, Ronse & Oostende), in 13 gemeenten lag het lager dan 5%.
Naar leeftijd zien we enkel dat het aandeel kinderen onder de armoederisicogrens iets hoger lag bij de kinderen tussen 15 en 17 jaar.
De kansarmoede-index (per provincie, (type) gemeente en origine van de moeder) drukt uit hoe groot het aandeel kinderen van 0 tot 3 jaar in kansarmoede is ten opzichte van het totaal aantal kinderen van 0 tot 3 jaar (van die provincie, (type) gemeente of origine van de moeder).
De kansarmoede-index 2025 voor het Vlaamse Gewest bedraagt 12,07% en blijft nagenoeg stabiel (-0,1 procentpunt tegenover 2024). In Antwerpen ligt de index met 14,8% het hoogst, in Vlaams-Brabant het laagst met 6,4%. De kansarmoede-index stijgt in 2025 enkel in de provincie Oost-Vlaanderen (+0,5 procentpunt). In de andere provincies blijft de index (quasi) stabiel, in West-Vlaanderen daalt de index beperkt (-0,4 procentpunt).
De kansarmoede-index bij kinderen van wie de moeder bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had, ligt met 27,8% heel wat hoger dan de 4,7% bij kinderen met een moeder van Belgische origine.
Bij de kinderen met een moeder van Belgische origine ligt de kansarmoede-index het laagst in Vlaams-Brabant (2,9%) en het hoogst in West-Vlaanderen (6,0%). Bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine ligt de kansarmoede-index eveneens het laagst in Vlaams-Brabant (14,9%) en het hoogst in West-Vlaanderen (33,3%).
Uit nadere analyses weten we dat er zich grote verschillen voordoen naargelang de originecluster van de moeder. De kansarmoede-index 2025 ligt het hoogst bij kinderen met een moeder van Afrikaanse origine. 24,4% van de kinderen met een moeder van Maghreb-origine groeit op in kansarmoede, bij kinderen met een moeder met een origine van een ander Afrikaans land gaat het zelfs om 42,8%. Ook van de kinderen met een moeder van Aziatische origine (maar niet Turkije) werd meer dan 4 op de 10 borelingen in kansarmoede geboren. Er zijn echter ook kinderen met een Europese herkomst die een hogere kansarmoede-index kennen. Zo wordt 17,7% van de kinderen met een moeder met een origine uit het oostelijke deel van de Europese Unie in een kansarmoedesituatie geboren.
Kansarmoede doet zich meer voor in steden dan in kleinere gemeenten. In de grootsteden wordt bijna 1 op de 4 kinderen in kansarmoede geboren, in de centrumsteden 16,7%. Kansarmoede komt veel minder voor op het platteland (6,9%).
Uit de lokale cijfers leiden we af dat de index daalt in meer dan de helft van de gemeenten en in 56 gemeenten stijgt met minstens 1 procentpunt. In een klein aantal gemeenten wijzigt de index niet of amper. Daarbij mag echter niet vergeten worden dat heel wat evoluties erg beperkt zijn en dat sommige grote procentuele schommelingen betrekking hebben op wijzigingen in kleine aantallen.
De index ligt het hoogst in Oostende (32,2%), Mesen (28,6%) en Eeklo (26,5%) en het laagst in Wezembeek-Oppem en Overijse. Via dit dashboard vind je per provincie en gemeente meer info over de evolutie van de kansarmoede-index per origine van de moeder (Belg/niet-Belg).
Kansarmoede is ontegensprekelijk sterker aanwezig in de steden, maar kan tegelijk niet losgekoppeld worden van de origine van de moeder. 73,5% van de jonge kinderen die opgroeien in kansarmoede heeft een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. De niet-Belgische nationaliteiten hebben vooral betrekking op Aziatische nationaliteiten (inclusief Turkije; 27,6%) en Afrikaanse nationaliteiten (inclusief Maghreb-landen; 25,5%). 10,7% van de kinderen heeft een moeder met een nationaliteit bij de geboorte van een land uit de EU, vooral dan van een Oost-Europees land.
Er doen zich verschillen voor tussen de provincies. In Antwerpen heeft 79,8% van de kinderen in kansarmoede een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. In West-Vlaanderen ligt dat percentage het laagst (68,2%).
De registratie over kansarmoede gebeurt – omdat kansarmoede meerdere dimensies kent – op basis van 6 verschillende criteria. Door te kijken naar de oordelen op de criteria kunnen we voor de kinderen die in kansarmoede leven aangeven op welke levensdomeinen kansarmoede zich vooral manifesteert.
Bijna de helft (45,6%) van de kinderen in kansarmoede heeft op 3 van de 6 levensdomeinen een minder gunstige positie. Bij 21,7% van de kinderen in kansarmoede gaat het om minstens 5 levensdomeinen. Het aandeel kinderen in kansarmoede met een minder gunstige positie op 5 of meer levensdomeinen ligt het hoogst in Oost- en West-Vlaanderen.
Voor detailcijfers op niveau van de gemeenten verwijzen we naar het lokaal dashboard.
De onderstaande figuur geeft voor de kinderen in kansarmoede aan bij hoeveel kinderen een bepaald levensdomein als onvoldoende werd beschouwd. De grafiek toont aan dat kansarmoede vooral te maken heeft met een beperkt inkomen (88,8%) en met een laag opleidingsniveau (79,7%) van de ouders. 78,4% van de kinderen heeft ouders die werkloos zijn of een precaire arbeidssituatie kennen. Meer dan de helft (59,6%) van de kinderen in kansarmoede heeft een gebrekkige huisvestingssituatie. Gezondheidsproblemen en een laag stimulatieniveau zijn de minst voorkomende criteria bij de kinderen in kansarmoede.
Bij de kinderen in kansarmoede weten we uit niet opgenomen cijfers dat voor 4 van de 6 levensdomeinen (inkomen, arbeid, opleiding en huisvesting) het aandeel kinderen dat onvoldoende scoort groter is bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. Het verschil is het grootst voor het levensdomein huisvesting, wat erop wijst dat dat een groter probleem is voor kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. We zien daarentegen ook dat het aandeel kinderen met problemen in het gezin op het vlak van gezondheid hoger ligt bij kansarme kinderen met een moeder van Belgische origine.
Uit nadere analyses weten we dat bij 57,5% van de kinderen (minstens) de 3 socio-economische criteria (arbeid, inkomen en opleiding) samen als onvoldoende beoordeeld worden
Team Datamanagement bundelt wetenschappelijk onderzoek en datarapportering en -monitoring.