Cijferrapport

Gezinsinkomen en (kans)armoede

Ga snel naar...

Details en historiek over de kansarmoede-index, gesitueerd ten opzichte van andere inkomensindicatoren op lokaal, gemeentelijk en provinciaal niveau.

Cijfers op maat

Ontdek welke bronnen we gebruiken voor onze kwaliteitsvolle data.

Achtergrondinformatie en documentatie
Om een beeld te schetsen van het aandeel kinderen dat opgroeit in een gezin met beperkte materiële en financiële middelen brengen we in dit themarapport cijfers uit diverse bronnen samen. We geven eerst een beeld van de inkomenssituatie in het gezin van kinderen via gegevens van het Groeipakket (op gezinsniveau) en gegevens van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ, op kindniveau). Daarna nemen we cijfers op over het aandeel kinderen dat omwille van een beperkt gezinsinkomen tegemoetkomingen of toeslagen krijgt. Vervolgens schetsen we een beeld over armoede bij kinderen via 3 gegevensbronnen: eerst schetsen we officiële armoedestatistieken op basis van steekproefgegevens van de EU-SILC, daarna benutten we inkomensgegevens uit administratieve bronnen over de hele populatie kinderen die door Statbel werden bewerkt tot cijfers over ‘at risk-of-poverty’ (AROP) en tot slot gaan we in op de kansarmoedesituatie in het gezin van borelingen op basis van registraties van Kind en Gezin. Voor details verwijzen we via links naar de dashboards op cijfers op maat over dit thema. Meer informatie over begrippen en specifieke regelingen vind je op achtergrondinformatie en documentatie over dit thema.

Inkomensverdeling gezinnen op basis van gegevens Groeipakket

Om gezinnen automatisch hun Groeipakket te kunnen (laten) uitbetalen worden er heel wat gegevens benut op basis van automatische stromen, waaronder ook gegevens over het inkomen van gezinnen. Het Groeipakket werkt met een geconstrueerd bruto belastbaar inkomensbegrip waarbij voor de inkomensverstrekkers in het gezin gegevens uit diverse bronnen samengeteld worden en waarbij sommige componenten een zwaarder gewicht krijgen. De inkomens hebben betrekking op het jaar T-2. Hoewel het inkomensbegrip daardoor niet perfect de reële en/of meest recente inkomens weerspiegelt, is het toch erg relevant om de inkomensverdeling op basis van de Groeipakket-gegevens te schetsen. Het gaat immers om data die beschikbaar zijn voor de hele populatie feitelijke gezinnen waar een kind met recht op het basisbedrag woont (meer dan 900.000 gezinnen), het gaat niet alleen om inkomens die op het aanslagbiljet vermeld staan en de data kunnen verbijzonderd worden naar gezinskenmerken (zoals aantal kinderen en aantal inkomensverstrekkers).    

Onderstaande figuren zijn opgesteld per inkomensjaar. We tellen daarbij steeds het aantal gezinnen dat 2 jaar na afloop van het inkomensjaar woonde in het Vlaams Gewest. De gegevens over inkomensjaar 2023 gaan dus over feitelijke gezinnen die eind 2025 in Vlaanderen woonden en het inkomen dat de inkomensverstrekkers in die gezinnen hadden in 2023. 

Ongeveer 14,6% van de gezinnen van 2025 had in 2023 een inkomen van minder dan 30.000 euro. 52,7% had een inkomen tussen 30.000 en 90.000 euro. 32,7% had een inkomen van minstens 90.000 euro, waarbij 7,2% minstens 150.000 euro. 

De evoluties in de inkomensverdeling reflecteren uiteraard ook de indexeringen van lonen en uitkeringen. In 2022 en 2023 vonden meerdere indexeringen plaats, wat zeker mee verklaart waarom het aandeel gezinnen met een laag inkomen verder is afgenomen en waarom het aandeel gezinnen met een hoger inkomen toenam.  

Evolutie gezinnen naar inkomensklasse: inkomensjaren 2017-2023

De inkomensverdeling op gezinsniveau verschilt tussen de provincies. In Antwerpen had 17,2% van de gezinnen een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30.000 euro, in de andere provincies en vooral in Vlaams-Brabant lag dat aandeel een stuk lager (12,5%). Vlaams-Brabant had in vergelijking met de andere provincies wel duidelijk een groter aandeel gezinnen met een bruto belastbaar gezinsinkomen van minstens 90.000 euro (38,4%).

Provinciale verschillen qua inkomensverdeling

Het gezinsinkomen verschilt sterk naarmate er 1 of 2 inkomensverstrekkers in een gezin zijn. 62,1% van de gezinnen met 1 inkomensverstrekker heeft een inkomen van minder dan 40.000 euro. Bij gezinnen met 2 inkomensverstrekkers is dat heel wat minder (9,9%).

Inkomensverdeling per aantal inkomensverstrekkers in gezin

Gezinnen met 1 rechtgevend kind op Groeipakket hebben in vergelijking met gezinnen met 2 en 3 kinderen vaker een inkomen onder de 40.000 euro en minder vaak een inkomen van minstens 90.000 euro.

4 op de 10 gezinnen met 4 kinderen heeft hoogstens een inkomen van 40.000 euro. Van de gezinnen met 5 of meer rechtgevende kinderen heeft 38,7% hoogstens een inkomen van 30.000 euro en slechts 20,1% een inkomen van minstens 60.000 euro.

Inkomensverdeling naar aantal kinderen in gezin

Als we de inkomens van gezinnen vergelijken volgens de leeftijd van het oudste kind, dan stellen we vast dat gezinnen met oudere kinderen een groter aandeel gezinnen met een hoger inkomen kennen (minstens 90.000 euro). Het aandeel gezinnen met een beperkt inkomen verschilt slechts in beperkte mate. Dat gezinnen met een oudste kind van 18-24 jaar het hoogste aandeel gezinnen met een hoog inkomen kennen heeft zeker ook te maken met het feit dat voor kinderen van meer dan 18 jaar het recht op een Groeipakket is gekoppeld aan bepaalde voorwaarden (zoals studies).

Inkomensverdeling naar leeftijd oudste kind

Kinderen naar hoogte van het gezinsinkomen (met en zonder gezinsbijslagen) en naar aandeel van uitkeringen in het gezinsinkomen (op basis gegevens KSZ)

In 2022 (meest recente gegevens) groeide 14,8% van de minderjarigen op in een gezin met een bruto belastbaar gezinsinkomen van maximaal 30.000 euro, waaronder 2,7% met een bruto belastbaar gezinsinkomen onder de 15.000 euro. 36,4% van de minderjarigen leefde met een gezinsinkomen van minstens 75.000 euro, bij 15,7% was dat meer dan 100.000 euro. 

Kinderen in een eenoudergezin groeien veel vaker op met een lager inkomen. 47% van die kinderen heeft een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30.000 euro. Bij kinderen uit een tweeoudergezin is dat heel wat minder (9%).

Verdeling van de minderjarigen naar bruto belastbaar inkomen (exclusief gezinsbijslagen) per gezinsvorm - in euro - Vlaams Gewest

In het dashboard bij Cijfers op maat vind je meer historiek en kan je deze gegevens tot op het niveau van een provincie en arrondissement bekijken. Dat dashboard bevat ook relevante gegevens over het belang van uitkeringen en van het Groeipakket.

  • Bij 9,7% van de minderjarigen bestaat het gezinsinkomen voor minstens of meer dan de helft uit uitkeringen. Het feit dat een gezinsinkomen voor een groot deel bestaat uit uitkeringen is een belangrijke indicatie voor een minder gunstige materiële situatie. De meeste uitkeringen zijn immers geplafonneerd en/of aan bepaalde inkomensgrenzen gekoppeld.
  • De data van de KSZ laten ook toe om na te gaan wat het belang is van het Groeipakket voor het gezinsinkomen. Door de inkomensverdeling te vergelijken van inkomens met en zonder gezinsbijslagen zien we dat de groep kinderen met een gezinsinkomen lager dan 30.000 euro verkleint (van 14,8% naar 9,5%), wat wijst op een belangrijk corrigerend effect van het Groeipakket. We zien ook dat er zich in elke inkomensklasse een verschuiving voordoet waardoor het aandeel kinderen in de hogere inkomenscategorieën toeneemt. Dat is ook logisch. Vlaanderen heeft immers een gezinsbijslagensysteem met een belangrijke universele basis waardoor elk gezinsinkomen stijgt door toedoen van de gezinsbijslagen.

Kinderen met een sociale toeslag van het Groeipakket

In het Groeipakket bestaat voor gezinnen met een beperkt inkomen een selectief systeem van sociale toeslagen bovenop de universele basisbedragen. Die sociale toeslagen worden toegekend aan gezinnen met een inkomen onder bepaalde inkomensgrenzen. 

Eind 2025 waren er 522.148 kinderen met een sociale toeslag, een afname met 18.292 kinderen (-3,4%) ten opzichte van december 2024. 

 De daling in 2025 is vooral te verklaren door een indexeringsasymmetrie: in 2024 werden de inkomensgrenzen sneller geïndexeerd dan de referentiegezinsinkomens, waardoor méér gezinnen recht hadden op een sociale toeslag. In 2025 lag de indexatie van de gebruikte referentiegezinsinkomens hoger dan deze van de inkomensgrenzen. Daardoor verloren een aantal gezinnen in 2025 de sociale toeslag.

Evolutie aantal kinderen met/zonder een sociale toeslag volgens type toeslag

Het aandeel kinderen met sociale toeslag lag eind 2025 het hoogst (35,1%) bij de kinderen van 6 tot en met 11 jaar. Bij de 18- tot 24-jarigen met een Groeipakket ligt het aandeel lager (27,1%), ook omdat het daar om een voorwaardelijk recht gaat.

Evolutie aandeel kinderen met/zonder een sociale toeslag volgens leeftijd

In de provincie Antwerpen ligt het aandeel kinderen met een sociale toeslag het hoogst (36,6%) en in Vlaams-Brabant het laagst (27%). Op gemeentelijk niveau ontvangen zowel in Antwerpen, Oostende, Ronse als in Turnhout meer dan 50% van de kinderen met Groeipakket een sociale toeslag. 

Meer info is te vinden in het dashboard lokale cijfers: gezinsbijslagen met cijfers over het Groeipakket op lokaal niveau of in het lokaal dashboard armoede.

Leerlingen die in het Vlaamse Gewest wonen met een schooltoeslag

In het Vlaamse onderwijs bestaan toeslagen uit het Groeipakket voor leerlingen met een beperkt gezinsinkomen. Het gaat om jaarbedragen die onder meer variëren naargelang onderwijsniveau, statuut van de leerling, gezinsinkomen en studierichting (enkel in het secundair onderwijs).

In het schooljaar 2025-2026 kregen 466.760 leerlingen die in het Vlaamse Gewest wonen een schooltoeslag (-7,1%). De daling doet zich in alle onderwijsniveaus voor. 

Hiervoor geldt dezelfde reden als bij de sociale toeslag. Vorig jaar was er een sterke stijging door de indexeringsasymmetrie: in 2024 werden de inkomensgrenzen sneller geïndexeerd dan de gezinsinkomens, waardoor méér gezinnen recht hadden op een schooltoeslag. In 2025 werden voor de rechtenberekening inkomens gebruikt die meer waren gestegen dan de toegepaste inkomensgrenzen. Daardoor verloren een aantal gezinnen in 2025 de schooltoeslag.

 

Evolutie aantal kinderen met een schooltoeslag per onderwijsniveau

Als we het aantal kinderen in Vlaanderen met een schooltoeslag (enkel voor die leeftijden die quasi allemaal naar school gaan) uitdrukken ten opzichte van alle kinderen gekend met een Groeipakket en/of een participatietoeslag, dan stellen we vast dat in elk van die leeftijdsklassen minstens 36% van de kinderen een schooltoeslag krijgt. Bij de 6 tot 11 jarigen gaat het om 39,4%.

Aandeel kinderen met en zonder een schooltoeslag ten opzichte van alle kinderen met een Groeipakket en/of een participatietoeslag

Deze cijfers zijn per leeftijdsklasse ook op lokaal niveau beschikbaar.

De uitbetaalde bedragen verschillen naargelang het onderwijsniveau, maar (behalve in het kleuteronderwijs) ook naargelang het inkomen. Er bestaan vanaf het lager onderwijs dan ook 4 bedragscategorieën. Het soort toeslagbedrag geeft een aanduiding van de hoogte van het gezinsinkomen: uitzonderlijke toeslagen zijn het hoogst en worden toegekend aan gezinnen met een erg laag inkomen dat grotendeels uit uitkeringen bestaat, volledige toeslagen worden toegekend aan gezinnen met een inkomen onder de minimumgrens van de inkomensvork, verminderde toeslagen en minimumtoeslagen worden toegekend aan gezinnen met een inkomen tussen de inkomensgrenzen.

Leerlingen die in Vlaanderen wonen naar type toeslagen per onderwijsniveau (exclusief kleuteronderwijs)

Het aandeel leerlingen met een volledige toeslag ligt in elk onderwijsniveau rond de 40% van het totaal aantal leerlingen met een schooltoeslag. Het aandeel leerlingen met uitzonderlijke toeslagen is erg beperkt (0,3%).

Leerlingen die een schooltoeslag krijgen, ontvangen gemiddeld 871 euro schooltoeslag per jaar in het secundair onderwijs en 190 euro in het lager onderwijs. Studenten uit de graduaatsopleiding Basisverpleegkunde krijgen gemiddeld een hoger bedrag. Kleuters krijgen een vast bedrag (127 euro in 2025).

Kinderen en jongeren met recht op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering

In de ziekteverzekering bestaat er een systeem van een verhoogde tegemoetkoming voor personen die het financieel moeilijker hebben. Dat systeem voorziet in lagere persoonlijke bijdragen voor medische prestaties en hospitalisaties. Enerzijds heeft iedereen die bepaalde sociale uitkeringen krijgt (zoals bv. leefloon) automatisch recht op de tegemoetkoming. Anderzijds kan iedereen met een beperkt inkomen ook in aanmerking komen na een inkomensonderzoek. Sinds 1 oktober 2024 wordt voor een specifieke doelgroep het inkomensonderzoek ambtshalve toegekend. 

In het Vlaamse Gewest heeft 16,1% van de kinderen onder de 5 jaar recht op een verhoogde tegemoetkoming in 2025. Bij 15- tot 20-jarigen loopt het aandeel op tot 20,8%.

We zien in 2025 voor elke leeftijd een stijging van het aandeel kinderen met een verhoogde tegemoetkoming. 

Aandeel kinderen in gezin met recht op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering per leeftijd - Vlaams Gewest

In Antwerpen is het aandeel kinderen met recht op een verhoogde tegemoetkoming duidelijk groter dan in de andere provincies. Ruim 25% van de kinderen onder de 20 jaar heeft er recht op de verhoogde tegemoetkoming. In Vlaams-Brabant ligt het aandeel in alle leeftijdscategorieën het laagst. Het aandeel kinderen met recht op de verhoogde tegemoetkoming neemt in elke provincie toe met de leeftijd, maar de toename is groter in Limburg (13,3% bij de kinderen onder de 5 jaar, 20,8% bij jongeren tussen 15 en 20 jaar). In Cijfers op maat vind je de gemeentelijke cijfers over kinderen met een verhoogde tegemoetkoming, gesitueerd ten opzichte van andere inkomensindicatoren.

 

Uit de cijfers van het RIZIV blijkt dat in elke leeftijdscategorie onder de 20 jaar het aandeel kinderen in een gezin met automatisch recht lager ligt dan het aandeel kinderen in een gezin met recht na een aangetoond beperkt inkomen. Bij de 20- tot 24-jarigen zijn er wel meer personen met een automatisch recht dan na een aangetoond inkomen.

Armoede-indicatoren op kindniveau op basis van de EU-SILC-enquête

Op basis van de EU-SILC-enquête kunnen 3 indicatoren over armoede op kindniveau afgeleid worden:

  • het aandeel kinderen dat leeft in een gezin met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (objectieve indicator);
  • het aandeel kinderen in een gezin waarvan de referentiepersoon aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare huishoudinkomen (subjectieve indicator);
  • het aandeel kinderen in ernstige materiële en sociale deprivatie. We spreken van ernstige materiële en sociale deprivatie als het gezin zich minstens 7 van 13 items niet kan veroorloven omwille van financiële redenen, items die door de meeste mensen worden beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden. Meer info over de indicator vind je in Achtergrondinformatie en documentatie.

De onderstaande tabel geeft de evolutie van die indicatoren weer voor de 7 meest recente SILC-enquêtes.

Armoede-indicatoren op kindniveau (kinderen onder de 18 jaar) - Vlaams Gewest

Er is in 2025 een verhoogd armoederisico bij 10% van de kinderen onder de 18 jaar. 12% van de kinderen leeft in een gezin waarvan de referentiepersoon stelt dat het moeilijk of zeer moeilijk is om de eindjes aan elkaar te knopen. Bij jongvolwassenen (18-24 jaar) is het armoederisico lager (8%) en ligt de subjectieve indicator net iets lager dan bij minderjarigen (10%).

 

6% van de minderjarigen bevindt zich in een situatie van ernstige materiële en sociale deprivatie. Uit de scores op de onderliggende items leiden we af dat 18% van de kinderen leeft in een gezin dat geen onverwachte uitgaven van 1.300 euro aankan en dat 15% van de kinderen geen week buitenshuis op vakantie kan. Toegang tot internet, het huis voldoende kunnen verwarmen en regelmatig een maaltijd met vlees, kip of vegetarisch alternatief gebruiken is voor veel minder kinderen (3% of minder) een probleem. Regelmatig deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten en 1 maal per maand afspreken om iets te eten of te drinken is voor ongeveer 1 op de 10 kinderen niet mogelijk.

Materiële en sociale deprivatie per item bij kinderen onder de 18 jaar – Vlaams Gewest (SILC 2025)

Op al deze armoede-indicatoren scoren gezinnen met bepaalde kenmerken minder goed dan andere:

 

  • Qua gezinstype is er een groot verschil tussen kinderen in een eenoudergezin en kinderen in een tweeoudergezin. 22% van de kinderen in een eenoudergezin kent een verhoogd armoederisico en 24% geeft aan moeilijk rond te komen, bij koppels liggen die cijfers heel wat lager.
  • Opmerkelijk is het verschil naargelang het aantal kinderen in het gezin. 14% van de koppels met minstens 3 kinderen leeft onder de armoedegrens, bij kleinere gezinnen ligt dat aandeel lager.
  • Kinderen in een laagopgeleid gezin (waar geen van de volwassenen een diploma hoger secundair onderwijs heeft) situeren zich vaker onder de armoedegrens (47%) dan kinderen uit een gezin met middenopgeleide of hoger opgeleide ouders (8%). 34% van de kinderen uit een laagopgeleid gezin kent een ernstige materiële en sociale deprivatie.
  • Het armoederisico blijkt sterk af te nemen naarmate de arbeidsparticipatie van de ouders toeneemt. 56% van de kinderen in een gezin met een zeer lage werkintensiteit kent een verhoogd risico op armoede. Bij een lage werkintensiteit is dat 33% en bij een zeer hoge werkintensiteit bedraagt het armoederisico 2%. Ook de subjectieve armoede neemt af naargelang de werkintensiteit hoger ligt.
  • 29% van de kinderen met minstens 1 ouder die geboren is in een land buiten de EU kent een verhoogd armoederisico. Bij kinderen in een gezin waar alle volwassenen geboren zijn in een EU-land is dat 4%. Ook de subjectieve armoede en de ernstige materiële en sociale deprivatie ligt merkelijk hoger bij kinderen uit een niet-EU-gezin.

Armoede-indicatoren op kindniveau (kinderen onder de 18 jaar) naar gezinstype, opleidingsniveau, werkintensiteit en herkomst - Vlaams Gewest (2021-2025)

Internationale situering kinderen onder de armoederisicodrempel

Aangezien de SILC-enquête in alle landen van de EU wordt afgenomen, kunnen we de situatie van Vlaanderen goed internationaal situeren.

Dit bestand schetst het aandeel kinderen met een verhoogd armoederisico in de EU-27-landen voor de leeftijdsgroep 0 tot 18 jaar in 2025.

Denemarken, Nederland en Slovenië kennen het laagste aandeel kinderen onder de armoederisicodrempel. Spanje kent het hoogste aandeel (28,4%), maar ook in Bulgarije leven meer dan 1 op de 4 kinderen onder de armoederisicodrempel. Vlaanderen situeert zich bij de landen met het laagste armoederisicocijfer. Het cijfer voor België (14,5%) ligt hoger dan dat van het Vlaamse Gewest (10%). Van de EU-27-landen zijn er nog 7 landen die een lager aandeel kinderen onder de armoederisicodrempel hebben dan België.

Kinderen met armoederisico op basis van gegevens Statbel

De officiële armoedestatistieken worden berekend op basis van de SILC-enquête bij een steekproef aan gezinnen. Doordat de omvang van de steekproef beperkt is, zijn er enkel armoedecijfers op gewestelijk niveau (niet per gemeente) en enkel voor zeer brede leeftijdsgroepen zoals minderjarigen (dus niet per leeftijdsklasse).

Om deze nadelen te verhelpen heeft Statbel het initiatief genomen om meer gedetailleerde armoedestatistieken te berekenen op basis van administratieve inkomensgegevens uit diverse bronnen. Het benut daarvoor gegevens over belastbare inkomens (zoals beroepsinkomsten, huurinkomsten, sociale uitkeringen naar aanleiding van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, pensioen, … ) én niet belastbare inkomens (zoals leefloon, inkomensvervangende tegemoetkoming, zorgbudgetten, …). Bij de berekening van het inkomen wordt ook rekening gehouden met voorafbetalingen, aftrekbare bestedingen en belastingsafrekeningen, worden een aantal inkomsten ingeschat en worden enkel personen meegerekend die voldoende zuiver aan een gezin of inkomen kunnen worden toegewezen. Inkomens op gezinsniveau worden vervolgens per individu berekend door toepassing van de equivalentieschaal. Voor meer info over de berekeningswijze zie Administratief beschikbaar inkomen | Statbel

Kortom, Statbel is er in geslaagd om op basis van een breed inkomensbegrip en gegevens over nagenoeg de hele populatie het equivalent beschikbare inkomen per persoon te berekenen. Daardoor kan het ook op kindniveau, per gemeente én per leeftijdsklasse nagaan hoeveel % van de kinderen opgroeien onder de armoederisicodrempel (dit is 60% van het nationaal mediaan equivalent administratief beschikbaar inkomen).

Onderstaande grafiek geeft weer dat er in 2023 in totaal 12,3% van de minderjarigen ‘at risk of poverty’ waren. Qua evolutie zien we voor het Vlaams Gewest eerder beperkte schommelingen.

Het aandeel kinderen onder de armoederisicogrens verschilde tussen de provincies (15,9% in Antwerpen en 9,8% in Vlaams-Brabant). 

Aandeel minderjarige kinderen met armoederisico per provincie

Op lokaal niveau zien we nog grotere verschillen. In 3 gemeenten lag in 2023 het aandeel minderjarigen onder de armoederisicogrens hoger dan 20% (Antwerpen, Ronse & Oostende), in 13 gemeenten lag het lager dan 5%.

Naar leeftijd zien we enkel dat het aandeel kinderen onder de armoederisicogrens iets hoger lag bij de kinderen tussen 15 en 17 jaar.

Evolutie aandeel minderjarige kinderen met armoederisico naar leeftijdsklassen

Evolutie kansarmoede-index bij jonge kinderen (onder de 3 jaar)

De kansarmoede-index (per provincie, (type) gemeente en origine van de moeder) drukt uit hoe groot het aandeel kinderen van 0 tot 3 jaar in kansarmoede is ten opzichte van het totaal aantal kinderen van 0 tot 3 jaar (van die provincie, (type) gemeente of origine van de moeder). 

De kansarmoede-index 2025 voor het Vlaamse Gewest bedraagt 12,07% en blijft nagenoeg stabiel (-0,1 procentpunt tegenover 2024). In Antwerpen ligt de index met 14,8% het hoogst, in Vlaams-Brabant het laagst met 6,4%. De kansarmoede-index stijgt in 2025 enkel in de provincie Oost-Vlaanderen (+0,5 procentpunt). In de andere provincies blijft de index (quasi) stabiel, in West-Vlaanderen daalt de index beperkt (-0,4 procentpunt). 

Evolutie kansarmoede-index per provincie

De kansarmoede-index bij kinderen van wie de moeder bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had, ligt met 27,8% heel wat hoger dan de 4,7% bij kinderen met een moeder van Belgische origine.  

Bij de kinderen met een moeder van Belgische origine ligt de kansarmoede-index het laagst in Vlaams-Brabant (2,9%) en het hoogst in West-Vlaanderen (6,0%). Bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine ligt de kansarmoede-index eveneens het laagst in Vlaams-Brabant (14,9%) en het hoogst in West-Vlaanderen (33,3%). 

Kansarmoede-index per origine van de moeder en provincie

Uit nadere analyses weten we dat er zich grote verschillen voordoen naargelang de originecluster van de moeder. De kansarmoede-index 2025 ligt het hoogst bij kinderen met een moeder van Afrikaanse origine. 24,4% van de kinderen met een moeder van Maghreb-origine groeit op in kansarmoede, bij kinderen met een moeder met een origine van een ander Afrikaans land gaat het zelfs om 42,8%. Ook van de kinderen met een moeder van Aziatische origine (maar niet Turkije) werd meer dan 4 op de 10 borelingen in kansarmoede geboren. Er zijn echter ook kinderen met een Europese herkomst die een hogere kansarmoede-index kennen. Zo wordt 17,7% van de kinderen met een moeder met een origine uit het oostelijke deel van de Europese Unie in een kansarmoedesituatie geboren.

 

Kansarmoede doet zich meer voor in steden dan in kleinere gemeenten. In de grootsteden wordt bijna 1 op de 4 kinderen in kansarmoede geboren, in de centrumsteden 16,7%. Kansarmoede komt veel minder voor op het platteland (6,9%).

Kansarmoede-index per type gemeente

Uit de lokale cijfers leiden we af dat de index daalt in meer dan de helft van de gemeenten en in 56 gemeenten stijgt met minstens 1 procentpunt. In een klein aantal gemeenten wijzigt de index niet of amper. Daarbij mag echter niet vergeten worden dat heel wat evoluties erg beperkt zijn en dat sommige grote procentuele schommelingen betrekking hebben op wijzigingen in kleine aantallen.

De index ligt het hoogst in Oostende (32,2%), Mesen (28,6%) en Eeklo (26,5%) en het laagst in Wezembeek-Oppem en Overijse. Via dit dashboard vind je per provincie en gemeente meer info over de evolutie van de kansarmoede-index per origine van de moeder (Belg/niet-Belg).

Kinderen in kansarmoede naar woonplaats (type gemeente) en origine moeder

47,9% van de kinderen in kansarmoede leeft in 13 steden (de 2 grootsteden en de 11 andere centrumsteden), 7,9% leeft op het platteland.

Kansarmoede is ontegensprekelijk sterker aanwezig in de steden, maar kan tegelijk niet losgekoppeld worden van de origine van de moeder. 73,5% van de jonge kinderen die opgroeien in kansarmoede heeft een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. De niet-Belgische nationaliteiten hebben vooral betrekking op Aziatische nationaliteiten (inclusief Turkije; 27,6%) en Afrikaanse nationaliteiten (inclusief Maghreb-landen; 25,5%). 10,7% van de kinderen heeft een moeder met een nationaliteit bij de geboorte van een land uit de EU, vooral dan van een Oost-Europees land.

Er doen zich verschillen voor tussen de provincies. In Antwerpen heeft 79,8% van de kinderen in kansarmoede een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. In West-Vlaanderen ligt dat percentage het laagst (68,2%).

Origine van de moeder van de kinderen in kansarmoede per provincie

Kinderen in kansarmoede naar levensdomeinen waarop kansarmoede zich manifesteert

De registratie over kansarmoede gebeurt – omdat kansarmoede meerdere dimensies kent – op basis van 6 verschillende criteria. Door te kijken naar de oordelen op de criteria kunnen we voor de kinderen die in kansarmoede leven aangeven op welke levensdomeinen kansarmoede zich vooral manifesteert.

Bijna de helft (45,6%) van de kinderen in kansarmoede heeft op 3 van de 6 levensdomeinen een minder gunstige positie. Bij 21,7% van de kinderen in kansarmoede gaat het om minstens 5 levensdomeinen. Het aandeel kinderen in kansarmoede met een minder gunstige positie op 5 of meer levensdomeinen ligt het hoogst in Oost- en West-Vlaanderen. 

Voor detailcijfers op niveau van de gemeenten verwijzen we naar het lokaal dashboard.

 

Kinderen in kansarmoede naar aantal levensdomeinen die als onvoldoende werden beoordeeld

De onderstaande figuur geeft voor de kinderen in kansarmoede aan bij hoeveel kinderen een bepaald levensdomein als onvoldoende werd beschouwd. De grafiek toont aan dat kansarmoede vooral te maken heeft met een beperkt inkomen (88,8%) en met een laag opleidingsniveau (79,7%) van de ouders. 78,4% van de kinderen heeft ouders die werkloos zijn of een precaire arbeidssituatie kennen. Meer dan de helft (59,6%) van de kinderen in kansarmoede heeft een gebrekkige huisvestingssituatie. Gezondheidsproblemen en een laag stimulatieniveau zijn de minst voorkomende criteria bij de kinderen in kansarmoede.

Kinderen in kansarmoede naar onderliggende levensdomeinen/criteria

Bij de kinderen in kansarmoede weten we uit niet opgenomen cijfers dat voor 4 van de 6 levensdomeinen (inkomen, arbeid, opleiding en huisvesting) het aandeel kinderen dat onvoldoende scoort groter is bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. Het verschil is het grootst voor het levensdomein huisvesting, wat erop wijst dat dat een groter probleem is voor kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. We zien daarentegen ook dat het aandeel kinderen met problemen in het gezin op het vlak van gezondheid hoger ligt bij kansarme kinderen met een moeder van Belgische origine.

 

Uit nadere analyses weten we dat bij 57,5% van de kinderen (minstens) de 3 socio-economische criteria (arbeid, inkomen en opleiding) samen als onvoldoende beoordeeld worden

 

Ook interessant
Nog niet gevonden wat je zocht?
Vraag het aan team Datamanagement
Diederik Vancoppenolle, wetenschappelijk adviseur Opgroeien

Team Datamanagement bundelt wetenschappelijk onderzoek en datarapportering en -monitoring. 

Team Datamanagement