Lagere-schoolkinderen (5–13 jaar, met bijzondere aandacht voor de transitieleeftijden), hun ouders, leerkrachten, CLB‑medewerkers, welzijns- en hulpverleningspartners, lokale verenigingen en beleidsmakers.
Er wordt vertrokken vanuit een grondige literatuurstudie rond ontwikkelingskansen, kindreflex, transities en kinderarmoede. Deze theoretische inzichten worden verbonden met ervaringsdeskundigheid van gezinnen en professionals, zodat het project aansluit bij de realiteit van het dagelijkse leven. Door gesprekken, focusgroepen en praktijkobservaties brengen we noden, drempels en kansen in kaart. Deze inzichten worden gekoppeld aan het lokale aanbod en bouwen een netwerk waarin scholen, welzijnspartners, verenigingen en hulpverleners elkaar kunnen vinden. Vanuit deze combinatie van theorie, ervaring en praktijk ontwikkelen we zowel een digitale screeningtool als een tastbare, niet‑digitale methodiek die breed inzetbaar is.
Het transversale karakter: onderwijs, welzijn, vrije tijd en hulpverlening zitten rond dezelfde tafel. De digitale en niet‑digitale tools maken noden zichtbaar en verlagen drempels voor gezinnen. Door het aanbod te bundelen en hiaten te detecteren, ontstaat een gedeelde verantwoordelijkheid. De kindreflex wordt lokaal versterkt en gezinnen vinden sneller de juiste ondersteuning. Het metanetwerk creëert duurzame samenwerking en structurele impact.
Het snel wijzigende lokale aanbod vraagt blijvende opvolging en actualisering. De verduurzaming van het project is een belangrijke opdracht, zowel organisatorisch als beleidsmatig. Daarnaast blijft het essentieel om verschillende actoren betrokken te houden en hen blijvend te verbinden binnen het metanetwerk.