Sociale cohesie

Sociale cohesie via netwerken

Sociale cohesie via (informele) netwerken en wederkerigheid: sleutel voor inclusie en solidariteit.

Sleutel voor inclusie en solidariteit 

Sociale cohesie wordt vaak zichtbaar in informele netwerken: ouders die elkaar tips geven, iemand die even tolkt, een buur die een kind mee ophaalt, een vrijwilliger die de weg wijst naar de bibliotheek of het Digipunt. 

Zulke kleine vormen van steun lijken eenvoudig, maar ze maken een groot verschil. Ze zorgen ervoor dat gezinnen zich minder alleen voelen, sneller informatie en hulp vinden en het gevoel krijgen dat ze ertoe doen. In die zin is sociaal kapitaal, de kracht van netwerken, vertrouwen en wederkerigheid een belangrijk ingrediënt van sociale cohesie (Putnam, 2000). 

Netwerken helpen, maar ontstaan niet vanzelf 

Netwerken zijn geen neutraal gegeven: niet iedereen heeft dezelfde kansen om ze op te bouwen of te benutten. Denk aan Ahmed, de vader met wisselende interim-uren, beperkte taalvaardigheid en weinig overzicht in een versnipperd hulp- en woonlandschap. Hij is er wel, maar staat toch aan de rand, niet omdat hij niet wil participeren, maar omdat drempels (werkonzekerheid, taal, digitale procedures, doorverwijzingen zonder opvolging) deelname moeilijk maken

Dit soort verhalen maakt duidelijk dat sociale cohesie meer is dan goede relaties tussen mensen. Ze hangt ook af van hoe de samenleving georganiseerd is: wie krijgt toegang tot rechten, diensten, tijd, rust en ruimte om mee te doen? (OECD, 2011; Jenson, 2010; Springer, Birch & MacLeavy, 2016). 

Bonding, bridging en linking: drie soorten verbinding die tellen 

Niet elk netwerk werkt op dezelfde manier. In het onderzoek en in de literatuur wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen drie vormen van sociaal kapitaal: 

  1. Bonding: verbinding binnen een herkenbare groep zoals ouders met gelijkaardige achtergrond of taal. Dit biedt vaak veiligheid, herkenning en praktische steun.
  2. Bridging: bruggen tussen verschillende groepen zoals tussen ouders met andere taal, opleiding of levensstijl. Dit is cruciaal voor inclusie in diverse contexten.
  3. Linking: verticale verbinding tussen gezinnen en instituties zoals diensten, school, OCMW, kinderopvang, gemeente. Dit is essentieel om sociale rechten en deelname écht mogelijk te maken (Woolcock, 2001; Szreter & Woolcock, 2004). 

Die derde vorm, linking, is vaak onderbelicht, terwijl ze in de net cruciaal is. Een ouder kan een warm netwerk hebben, maar als formulieren enkel digitaal zijn, kinderopvang ontoegankelijk blijft of men van loket naar loket gestuurd wordt, dan komt sociale cohesie onder druk te staan. Sociale cohesie vraagt dus óók institutioneel vertrouwen: het gevoel dat diensten eerlijk, begrijpelijk en bereikbaar zijn (Dragolov et al., 2016). 

Een netwerk alleen volstaat niet 

Sociaal kapitaal is krachtig, maar het kan ook iets verhullen. Als we sociale cohesie herleiden tot “gezinnen moeten een netwerk opbouwen”, schuiven we verantwoordelijkheid te snel door naar het individu. Dan lijkt het alsof Ahmed vooral meer steun nodig heeft, terwijl het probleem ook zit in hoe werk, wonen, rechten en dienstverlening georganiseerd zijn.  

Sociale cohesie vraagt daarom een dubbele beweging: 

  • relationeel versterken: netwerken, ontmoeting, wederkerigheid
  • structureel versterken: toegang, begrijpelijkheid, rechtvaardigheid, betrouwbare diensten 

Sociale cohesie via netwerken en wederkerigheid gaat dus niet alleen over “gezinnen met elkaar verbinden”. Het gaat over inclusie en solidariteit mogelijk maken: door informele steun te versterken, maar ook door de weg naar deelname eerlijker en toegankelijker te maken.