Minder echtscheidingen, maar niet noodzakelijk minder relatiebreuken
Het aantal echtscheidingen daalt al geruime tijd. In België werden in 2005 nog ongeveer 30.840 echtscheidingen geregistreerd. In 2015 waren dat er 24.414 en in 2024 19.883. Dat is een daling met ongeveer 36% tegenover 2005. In het Vlaamse Gewest ging het in 2024 om iets meer dan 11.000 echtscheidingen, tegenover ongeveer 15.000 per jaar in de periode 2000-2008. De vergelijking moet wel voorzichtig worden gelezen: vanaf 2015 worden de cijfers op een andere manier uit het Rijksregister afgeleid.
De bekende oneliner van "één op de drie" blijft voor Vlaanderen gelden. De conjuncturele echtscheidingsindex bedroeg in 2024 357 per 1.000 huwelijken in Vlaanderen. Voor heel België was dat 377 per 1.000, tegenover 411 in Wallonië en 375 in Brussel. Deze index geef een schatting van het aandeel huwelijken dat uiteindelijk in een echtscheiding zou eindigen als de echtscheidingskansen van 2024 gelijk blijven naar de toekomst toe. De index is geen eenvoudige verhouding tussen de huwelijken en echtscheidingen van hetzelfde jaar (dan vergelijk je appelen en peren).
Feitelijke samenwoningen worden massaal beëindigd. België is geëvolueerd van een “huwelijksland" naar een “samenwoonland". In 1992 waren bijna 72% van de nieuwe koppels verbonden door een huwelijk. In 2000, wanneer je ook wettelijk kon samenwonen, was dat al gedaald tot één op twee en in 2021 is slechts één op vijf nieuwgevormde koppels getrouwd. De feitelijke samenwoning steeg in die periode van 28% in 1992, naar 37% in 2000 en 61% in 2021.
Als we een groep koppels volgen vanaf de periode 2006 tot en met 2013, dan stellen we vast dat de feitelijk samenwonenden in die periode maar liefst vier keer meer kans hadden op een relatiebreuk dan de gehuwden. Er wordt dus niet alleen meer samengewoond, de (feitelijke) samenwoning is ook heel onstabiel. Voor wettelijk samenwonenden is er geen verschil in de kans op een breuk met een gehuwd koppel.
Kinderen en de relatiebreuk van hun ouders
Bij ruim de helft van de echtscheidingen zijn minderjarige kinderen betrokken. In 2024 ging het in België om 10.639 van de 19.883 echtscheidingen, of 53,5%. Het cijfer zegt hoeveel echtscheidingen minstens één inwonend kind jonger dan 18 jaar omvatten; het is dus niet het aantal individuele kinderen dat een scheiding meemaakte. Bovendien ontbreken kinderen van ongehuwde ouders die uit elkaar gaan uit de cijfers. De werkelijke groep kinderen die jaarlijks met een ouderlijke breuk wordt geconfronteerd, ligt bijgevolg hoger.
In 2025 heeft bijna één op de vijf minderjarigen twee gekende ouders die officieel op verschillende adressen wonen. Dat is bijna 20% van alle minderjarigen. Dat aandeel verandert weinig over de tijd en is sinds 2005 nagenoeg stabiel. Wel verschoof het officiële kindadres: bij kinderen met ouders op aparte adressen daalde het aandeel dat bij de moeder gedomicilieerd was van 85,5% in 2005 tot 81,2% in 2025, terwijl het aandeel met domicilie bij de vader steeg van 12,3% tot 17,0%.
Een belangrijke voetnoot hierbij is dat dit géén indicatie is van verblijfsco-ouderschap: de administratieve data tonen slechts één officieel adres en niet hoe kinderen hun tijd tussen beide ouders verdelen. Uit het domicilieadres alleen kan dus niet worden afgeleid of er een week-weekregeling, een hoofdverblijf bij één ouder of een andere verdeling geldt. Voor professionals is het belangrijk om de feitelijke verblijfsregeling na te gaan en niet automatisch te veronderstellen dat het officiële adres de dagelijkse werkelijkheid weergeeft.
In 2021 leefde naar schatting ongeveer 30% van de kinderen met gescheiden ouders in een een gelijkmatig verdeeld verblijf. Hier wordt mee bedoeld dat een kind een substantieel deel van de tijd bij beide ouders verblijft. België behoort daarmee, samen met onder meer Frankrijk, tot de Europese landen waar co-ouderschap relatief vaak voorkomt. Het aandeel ligt wel lager dan in de Scandinavische koplopers Zweden, Denemarken en Finland.