Praktijk

Experiment in eigen context opzetten

Wat is het?

Binnen BOA is het belangrijk om te blijven leren en vernieuwen, ook na de opstart. Experimenteren betekent ruimte maken om nieuwe ideeën uit te testen, samen te leren en stap voor stap te ontdekken wat werkt in jouw context. 

Waarom is het belangrijk

Door te experimenteren: 

  • kan je nieuwe vormen van samenwerking verkennen en versterk je samenwerking en innovatie
  • test je ideeën op kleine schaal, zonder grote risico's 
  • speel je flexibel in op noden van kinderen en gezinnen en leer je wat werk in je lokale context
  • bouw je geleidelijk aan sterkere praktijken en beleid  

Hoe gebruiken

Kernconcepten

Experimenteren kan op verschillende manieren en hoeft niet groot te zijn. Ook kleine acties kunnen waardevolle inzichten opleveren.  

Een bruikbaar kader om experimenten gestructureerd aan te pakken is design thinking: een mensgerichte en stapsgewijze manier van werken die vertrekt vanuit de gebruiker. Het proces bestaat uit vijf fasen: 

  1. Empathise: Verken de noden en ervaringen van kinderen, gezinnen en partners. Hun perspectief vormt het vertrekpunt. 
  2. Define: Breng inzichten samen en formuleer een duidelijke, afgebakende vraag of probleemstelling. 
  3. Ideate: Genereer zoveel mogelijk ideeën en mogelijke oplossingen, vanuit verschillende perspectieven. 
  4. Prototype: Werk één of enkele ideeën uit tot een concreet en testbaar experiment. 
  5. Test: Voer het experiment uit en verzamel feedback om te leren en bij te sturen. 

Zelf aan de slag 

Hoe pak je dit concreet aan, vanuit Design Thinking? 

  1. Verken een concrete nood 
    • Kies een specifieke doelgroep, situatie of moment.  
    • Verzamel gerichte input van kinderen, ouders en partners en vertrek hierbij vanuit informatie die reeds is verzameld door jou of partners. 
    • Breng sterktes en drempels in kaart.  
  2. Formuleer een duidelijke vraag 
    • Maak je vraag concreet en haalbaar.  
    • Bepaal wat je precies wil testen of leren.  
    • Denk na over wanneer het experiment geslaagd is voor jullie. 
  3. Bedenk mogelijke oplossingen 
    • Brainstorm met partners en betrek hierbij zoveel mogelijk perspectieven. 
    • Hou de focus op kleine, snelle experimenten en niet op een uitgewerkte eindoplossing. 
    • Noteer zoveel mogelijk ideeën zonder te filteren. 
  4. Werk een experiment uit 
    • Hou het klein, tijdelijk en flexibel.  
    • Spreek af wie wat doet en voor wie.  
    • Bepaal wat je wil leren en hoe je dat opvolgt.  
  5. Test en verzamel feedback 
    • Voer het experiment uit.  
    • Betrek kinderen, ouders en partners en verzamel hun feedback. 
    • Observeer wat werkt en wat niet.  
  6. Reflecteer en stuur bij 
    • Analyseer wat je geleerd hebt.  
    • Beslis: verderzetten, aanpassen of stoppen.  
    • Deel inzichten binnen het netwerk.  

Proeftuinfiches van Arteveldehogeschool 

Arteveldehogeschool ontwikkelde fiches die concrete ondersteuning bieden bij het opzetten van een proeftuin binnen het BOA-decreet

Valkuilen 

  • Geen duidelijke vraag of doel formuleren bij het experiment.
  • Experiment te groot of te complex maken.
  • Te snel willen opschalen zonder te leren uit het experiment.
  • Resultaten niet terugkoppelen of gebruiken.
  • Blijven experimenteren zonder door te vertalen naar duurzaam beleid. 

Succesfactoren 

  • Een open houding tegenover leren, falen en experimenteren.  
  • Ruimte en tijd nemen voor reflectie. 
  • Durven proberen en bijsturen, ook als iets niet werkt.
  • Inzichten delen binnen het netwerk.  
  • Experimenten verbinden met duurzame verandering.

Laat je inspireren

Dit thema maakt deel uit van de strategie 'Vernieuwen en experimenteren' binnen het inspiratiekader BOA

Auteur

Bataljong

Jaar van publicatie

2026
Ook interessant