Recht op deelname en toegang
Het Kinderrechtenverdrag benadrukt dat elk kind, zonder onderscheid, recht heeft op ontwikkeling, spel en vrije tijd, toegang tot gezondheidszorg en passende informatie, en op een passende levensstandaard. Staten hebben daarbij de expliciete opdracht om ouders te ondersteunen in hun opvoedingsverantwoordelijkheid door te investeren in voorzieningen en diensten voor kinderzorg en gezinsondersteuning.
De Europese Kindergarantie roept lidstaten op om actief werk te maken van toegankelijke en kwaliteitsvolle basisvoorzieningen, met bijzondere aandacht voor kinderen en gezinnen in een kwetsbare situatie. Ongelijke toegang tot essentiële diensten wordt daarbij expliciet benoemd als een belangrijke motor van sociale uitsluiting.
Met oog voor diversiteit in noden
Een ongenuanceerde universele dienstverlening met het oog op het realiseren van sociale rechten levert niet voor iedereen evenveel voordeel op. Gezinnen verschillen sterk in leefomstandigheden, draagkracht, mogelijkheden en drempels. Wanneer deze verschillen onvoldoende worden meegenomen, leidt gelijke dienstverlening niet tot gelijke kansen of een gelijke impact.
Daarom is een proportionele benadering binnen een universeel opzet essentieel. Dit houdt in dat een universele dienstverlening voor iedereen uitgebouwd wordt, en dat er daarbinnen selectief of proportioneel meer gedaan wordt voor mensen met meer noden. De proportionaliteit doet recht aan het verschil en is inclusief.
Het vijfstappen plan voor professionals van Gezond Leven kan je helpen om dit principe van proportioneel universalisme in de praktijk te brengen. Ook de tekst 'proportioneel universalisme in de praktijk' geeft inspiratie en praktijkvoorbeelden.
Mattheuseffect versterkt ongelijkheid
Wanneer toegankelijkheid geen expliciete focus is, dreigt het zogeheten mattheuseffect: gezinnen met meer middelen, kennis en netwerk halen relatief meer voordeel uit sociale voorzieningen dan gezinnen in een maatschappelijk kwetsbare positie.
Dit effect is onder meer zichtbaar in de kinderopvang. In Vlaanderen maken gezinnen met een hoger inkomen ongeveer tweemaal zo vaak gebruik van kinderopvang als de meest kansarme gezinnen (Van Lancker & Vandenbroeck, 2019). Onderzoek toont aan dat dit verschil minder te maken heeft met opvattingen over moederschap of opvoeding, en vooral verklaard wordt door structurele drempels aan de aanbodzijde.
Een tekort aan opvangplaatsen, een ongelijke geografische spreiding en beperkte flexibiliteit bemoeilijken de toegang voor gezinnen die het aanbod het meest nodig hebben. Ook zijn bijvoorbeeld de inkomensgerelateerde opvangplaatsen (d.w.z. kinderopvang waar ouders betalen volgens hun inkomen) eerder gelijk verdeeld dan dat ze inspelen op sociale noden. Dit weegt op de toegankelijkheid. Voor kansengroepen is nabijheid van groot belang want ze zijn immers minder mobiel.