Verlies en rouw
Verdriet en rouw zijn belangrijke onderwerpen bij het werken met adoptiegezinnen. Zowel de geadopteerde als de ouders hebben ingrijpende verlieservaringen te verwerken. Voor professionals is het belangrijk om het verlies zichtbaar en bespreekbaar te maken.
Adoptiekinderen verloren hun biologische ouders en familie, vertrouwde personen en omgeving, hun persoonlijke en familiale voorgeschiedenis, en soms ook hun taal en cultuur, afstammingsinformatie en toegang tot genetisch relevante informatie. Deze verlieservaringen kunnen diepgaande gevoelens en vragen oproepen en hebben vaak een blijvende invloed op het leven van geadopteerden. Bovendien kan verlies op verschillende levensfases opnieuw betekenis krijgen, bijvoorbeeld tijdens de puberteit, bij het aangaan van intieme relaties of bij het ouderschap. Dat proces wordt ook wel herrouwen genoemd.
De geboorteouders verloren hun ouderschap van en het contact met het kind, sociale contacten en sociale status (wanneer ze geïsoleerd of verstoten worden), hun gevoel van eigenwaarde, hun lichamelijke integriteit (bij verkrachting of seksueel misbruik).
De adoptieouders verloren de hoop op een gezamenlijk biologische eigen kind, vaak een of meer kinderen (al dan niet) tijdens de zwangerschap; een gevoel van controle over hun lichaam, leven en eigen toekomst en de mogelijkheid de familiestamboom voort te zetten.
Trauma
Veel geadopteerde kinderen maakten in hun vroege kinderjaren ingrijpende, soms levensbedreigende ervaringen mee, zoals verwaarlozing of onveilige leefomstandigheden, en minstens het verlies van een zorgfiguur. Ook wanneer kinderen hier geen bewuste herinneringen aan hebben, kunnen deze ervaringen blijvende invloed hebben op hun ontwikkeling en het functioneren van hun brein.
Niet elke ingrijpende gebeurtenis leidt tot trauma. Of een ervaring traumatisch wordt, hangt af van verschillende factoren, zoals het temperament van het kind, eerdere ervaringen en vooral de mate waarin er beschermende volwassenen beschikbaar waren die veiligheid, nabijheid en ondersteuning boden tijdens of kort na de gebeurtenis.
Ook binnen het adoptiegezin kunnen ingrijpende ervaringen voorkomen. Adoptieouders kunnen, ondanks de screening tijdens de adoptieprocedure, toch onvoldoende draagdracht of ouderlijke vaardigheden hebben om een stabiele en warme omgeving te bieden.
Naast vroege ervaringen kunnen geadopteerden ook geconfronteerd worden met andere negatieve ervaringen, zoals racisme. Dergelijke ervaringen kunnen extra druk uitoefenen op een reeds kwetsbaar ontwikkelingsproces en mee invloed hebben op het welzijn, het zelfbeeld en de identiteitsontwikkeling van geadopteerden.
Deze brochure helpt je een eventueel trauma bij een geadopteerde te herkennen: welk gedrag kan traumagerelateerd zijn, wat zijn mogelijke signalen?
Gehechtheid
Veel advies- en hulpvragen van adoptieouders hebben betrekking op gehechtheid. Gehechtheid verwijst naar de emotionele band tussen een kind en zijn voornaamste zorgfiguren en ontstaat in een wederzijdse interactie tussen kind en volwassene.
Een veilige gehechtheidsrelatie ondersteunt de emotionele ontwikkeling van een kind, het vermogen om de wereld te verkennen en beïnvloedt hoe een kind zichzelf, anderen en relaties met anderen ervaart. Een veilige basis maakt het mogelijk om afhankelijkheid en autonomie in evenwicht te ontwikkelen.
Bij adoptie verloopt dit proces vaak minder vanzelfsprekend. Gehechtheidservaringen met eerdere zorgfiguren werken mee door in het huidige gedrag van geadopteerden. Elk adoptiekind heeft minstens één breuk met eerdere zorgfiguren meegemaakt en kan onveilige, inconsistente of onvoldoende zorg hebben ervaren. Tegelijk brengen adoptieouders ook hun eigen geschiedenis, verwachtingen en kwetsbaarheden mee. Zo kunnen er verwachtingen zijn dat een kind zich snel zal hechten, dankbaarheid zal tonen of adoptieouders meteen als ouders zal erkennen.
Het model ‘Bouwstenen van hechting’ van Truus Bakker kan professionals die met adoptiegezinnen werken helpen nagaan of, waar en bij wie het hechtingsproces mogelijk stagneert: bij het kind, bij de zorgfiguur of in hun onderlinge interactie. Zo biedt het een kader om begeleiding beter af te stemmen op de noden van het kind en het gezin.
Normaal gesproken doorloopt een kind deze fasen in de eerste vijf levensjaren. Adoptiekinderen beginnen bij aankomst in een adoptiegezin bij de onderste bouwsteen. Dit komt omdat de adoptieouders nog geen veilige personen kunnen zijn. Afhankelijk van zijn voorgeschiedenis, temperament en veerkracht doorloopt het ene adoptiekind de verschillende fasen sneller dan het andere. Ook de persoonlijkheid van de adoptieouders en hun mogelijkheden spelen een essentiële rol.

Lees hier meer over dit model en de verschillende bouwstenen.
Vooroordelen en racisme
Geadopteerden kunnen worstelen met gevoelens van anders-zijn of er niet bij horen. Dit kan te maken hebben met uiterlijke kenmerken, maar ook met verschillen binnen het adoptiegezin of de ruimere omgeving waarin zij opgroeien. Hun meervoudige identiteit wordt in twijfel getrokken, net als hun gevoel om (ook) Belg te zijn.
Voor sommige geadopteerden leidt dit tot het gevoel zich nergens volledig thuis te voelen: niet in hun land van herkomst, waarmee ze de connectie (deels) verloren zijn, en niet in hun adoptieland, waar ze steeds de boodschap krijgen dat ze ‘anders’ zijn.
Vooral transetnisch geadopteerden kunnen geconfronteerd worden met racisme of uitsluiting, zowel expliciet als in subtiele vormen. Deze ervaringen kunnen een belangrijke invloed hebben op hun zelfbeeld, welbevinden en gevoel van verbondenheid. Voor professionals is het belangrijk om hier alert voor te zijn en deze ervaringen expliciet te erkennen in begeleiding en ondersteuning.
Identiteit en zelfbeeld
Bovenstaande thema's maken duidelijk dat het voor geadopteerden niet gemakkelijk is om een positief zelfbeeld en een gezonde identiteit te ontwikkelen.
De zoektocht naar identiteit en verbondenheid kan bij geadopteerden verschillende vormen aannemen en verloopt niet voor iedereen op dezelfde manier of in hetzelfde tempo. Voor sommigen is het belangrijk om inzage te krijgen in het adoptiedossier, bijvoorbeeld via de adoptiedienst die de adoptie bemiddelde of via het Vlaams Centrum voor Adoptie (vanaf 12 jaar). Anderen zoeken vooral verbinding met het land en de cultuur van herkomst, door de taal te leren, culturele tradities te verkennen of een terugreis te ondernemen. Sommige geadopteerden voelen ook de nood om actief op zoek te gaan naar hun geboortefamilie, bijvoorbeeld via DNA‑matching of door persoonlijke ontmoetingen met verwanten, al dan niet met ondersteuning van het Afstammingscentrum.
Deze zoektocht is echter niet altijd evident en wordt vaak bemoeilijkt door onderliggende spanningen of drempels. Zo ervaren veel geadopteerden de druk van dankbaarheid: het gevoel dat zij vooral dankbaar zouden moeten zijn voor de kansen die ze kregen.
Daarnaast spelen loyaliteiten een belangrijke rol. Loyaliteit verwijst naar de verbondenheid en trouw die iemand ervaart ten aanzien van betekenisvolle anderen. Geadopteerden hebben van nature een zijnsloyaliteit tegenover hun geboorteouders, de ouders die hen het leven gaven. Tegelijk ontstaat er een verkregen loyaliteit tegenover de adoptieouders, die hen opvoeden en verzorgen. Het zoeken naar een evenwicht tussen deze loyaliteiten kan innerlijke spanningen oproepen en het zelfbeeld beïnvloeden.