Kinderopvang baby's en peuters

Banner - Kinderopvang voor baby's en peuters

Dit themarapport bundelt cijfers over het gebruik van formele opvang door baby’s en peuters. Het schetst hoe groot het aandeel kinderen is dat in de formele opvang aanwezig is/was en bevat informatie over de plaats, start en intensiteit van het opvanggebruik en over de tarieven die kinderen betalen in locaties met inkomenstarief. Waar nuttig wordt nagegaan of er verschillen zijn naar leeftijd van het kind en kenmerken van het gezin. Om al deze goed te kunnen begrijpen schetsen we eerst kort (de evolutie(s) in) het formele opvangaanbod.

Voor details verwijzen we via links naar de dashboards op cijfers op maat over dit thema, zoals naar Cijfers over informele opvang. Meer informatie over begrippen en specifieke regelingen vind je op achtergrondinformatie en documentatie.

Hoeveel plaatsen en locaties baby’s en peuters zijn er en wat is de evolutie (naar tariefregeling, vergunningstype en subsidietrap)? 

Eind 2021 waren er in 6.340 opvanglocaties 94.681 vergunde plaatsen voor baby’s en peuters, 243 plaatsen minder dan eind 2020 (-0,3%). In vergelijking tot 2014 telt het opvangaanbod in 2021 2.990 plaatsen meer (+3,3%). Er zijn net zoals in 2020 nog steeds meer dan 45 plaatsen per 100 kinderen tussen 0 en 3 jaar.

In totaal waren er 95.559 vergunde plaatsen, maar in dit themarapport tellen we de plaatsen waar enkel schoolgaande kinderen opgevangen worden niet mee. Het ging eind 2021 om 878 plaatsen bij onthaalouders.  

Achter de beperkte daling van het aantal plaatsen in 2021 gaan verschillende evoluties schuil. 

  • Er is zowel een daling in het Vlaams Gewest (-170 plaatsen), als in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (-73 plaatsen). Op provinciaal niveau is er enkel een toename in West-Vlaanderen (+ 69).  

  • Hoewel er in 2021 minder opvanglocaties gestopt zijn dan in 2020, is er toch een beperkte daling van het aantal plaatsen. Er waren ongeveer evenveel starters als in 2020, maar de nieuwe locaties en de uitbreidingen in bestaande opvanglocaties volstonden niet om het aantal gestopte plaatsen te compenseren. Het aantal starters ligt wel nog lager dan in de periode voor de coronacrisis.  

  • Het aantal plaatsen in de groepsopvang en de groepsopvang samenwerking neemt verder toe, maar de daling in de gezinsopvang (-1170 plaatsen) is sterker. De gezinsopvang daalt dus verder, maar staat wel nog in voor 25,2% van het totale aantal plaatsen voor baby’s en peuters. Het aandeel van groepsopvang en groepsopvang samenwerking bedraagt respectievelijk 68% en 6,8%.  

Evolutie aantal plaatsen per opvangsoort

Het aantal plaatsen met inkomenstarief is gestegen (+183), maar de afname van het aantal plaatsen met vrije prijs is sterker. In totaal bedraagt het aandeel plaatsen waar ouders een inkomenstarief betalen nu meer dan 76% van het totale aantal plaatsen, in 2014 was dat nog 73,4% (een toename van 4.950 plaatsen met inkomenstarief).

Evolutie aantal plaatsen naar inkomenstarief 

Als we het aantal plaatsen voorstellen per subsidietrap dan zien we dat er eind 2021 in totaal 12.081 (12,6%) plaatsen niet gesubsidieerd zijn door Opgroeien, dat 14.494 plaatsen (15,2%) enkel een basissubsidie krijgen en dat 2.799 (2,9%) plaatsen zowel de basissubsidie, de subsidie voor inkomenstarief als de plussubsidie ontvangen. In deze cijfers zitten wel ook de vergunde plaatsen vervat die uitsluitend schoolkinderen opvangen.  

Het aantal plaatsen zonder subsidie is sinds 2015 gedaald met 3.652 plaatsen (-23,2%). Bovendien zal het aandeel plaatsen zonder subsidie nog verder dalen, aangezien er begin 2022 nog aan 3.231 bestaande plaatsen zonder subsidie de basissubsidie werd toegekend. 

Evolutie aantal plaatsen per subsidietrap 

In de provincie Vlaams- Brabant is het aandeel plaatsen zonder subsidie inkomenstarief het grootst.

Aandeel kinderen dat (geen) formele opvang gebruikt (naar provincie, gemeente, leeftijd, kansarmoede en origine van de moeder), berekend als momentopname voor september 

Om na te gaan hoeveel kinderen formele opvang gebruiken hanteren we 2 berekeningswijzen: Enerzijds berekenen we het aandeel kinderen dat in de loop van 1 maand in de formele opvang aanwezig was (momentopname), anderzijds kijken we voor kindjes van maximaal 3 jaar terug naar het opvanggebruik sinds de geboorte (terugblik), ook al is het kindje op het moment van de berekening niet meer in de opvang. Beide berekeningswijzen zijn waardevol.  

Van de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar wonend in het Vlaams Gewest maakte in september 2021 53,4% van gebruik van vergunde formele opvang. Een beperkte daling ten opzichte van september 2020 (van 53,7% naar 53,4%). De daling wordt vooral verklaard door een gewijzigde (verbeterde) berekeningswijze, maar ligt allicht ook nog aan de coronacrisis. In 2019 bedroeg het aandeel nog 55%.  

In West-Vlaanderen (61,1%) ligt het aandeel kinderen in de formele opvang net zoals de vorige jaren hoger dan in de andere provincies. Vlaams-Brabant kent het laagste aandeel (49,8%).  

Gebruik van formele opvang per provincie (momentopname september)

Het gebruik van formele opvang varieert naargelang de leeftijd van het kind. Bijna 7 op de 10 kinderen tussen 12 en 30 maanden maakten in september 2021 gebruik van formele opvang, bij heel jonge kinderen en kinderen ouder dan 2,5 jaar ligt dat aandeel heel wat lager (28,8% bij de baby’s tussen 2 en 5 maanden en 12,5% bij de kinderen van 30 maanden of ouder). We zien deze verschillen in alle provincies. Van de oudste kinderen (30-35 maanden) gaan dus al heel wat kinderen naar de kleuterschool.  

Gebruik van formele opvang per leeftijdsklasse (momentopname september) 

Het cijfer over het aandeel kinderen aanwezig in formele opvang in september geeft echter niet weer of de kinderen die al naar de kleuterschool gaan ooit opvang gebruikt hebben. Sinds 2021 kunnen we op basis van een koppeling tussen datasets voor alle kinderen die op het eind van het jaar in het Vlaams Gewest woonden en maximaal 3 jaar waren aangeven of ze sinds hun geboorte opvang gebruikt hebben of niet. We bekijken deze cijfers hieronder. 

Aandeel kinderen dat (geen) formele opvang gebruikt (naar provincie, gemeente, leeftijd, kansarmoede en origine van de moeder), berekend als terugblik sinds geboorte 

In elke provincie hebben minstens 6 op de 10 kinderen tussen 2 en 36 maanden formele opvang gebruikt sinds hun geboorte. In West-Vlaanderen gaat het zelfs om 73,6% van de kinderen.  

Gebruik van formele opvang per provincie (terugblik sinds geboorte) 

I frame:

Sinds 2021 kunnen we ook per gemeente aangeven hoeveel kinderen er minstens 1 dag formele opvang gebruikt hebben. Er blijkt heel wat variatie te zijn. In Alveringem gebruikte 85,7 % van de kinderen tussen 2 en 36 maanden formele opvang sinds hun geboorte, in Antwerpen gaat het om 52,1%. 

Heel wat jonge kindjes gaan echter nog niet naar de opvang. Als we enkel kijken naar de kinderen tussen 2 en 3 jaar (24-36 maanden), dan zien we dat bijna 3 op de 4 van hen ooit formele opvang gebruikte. Het aandeel kinderen dat geen gebruik maakt van formele opvang bedraagt dus ongeveer 25%. Uit onderzoek weten we dat een deel van deze kinderen wel informeel opgevangen worden en dat er een variëteit aan redenen bestaat voor het niet gebruiken van formele opvang. 

Gebruik formele opvang volgens leeftijdsklasse (terugblik sinds geboorte) 

Er zijn wel provinciale verschillen. In West-Vlaanderen maakte 82,6% van de kinderen tussen 30 en 35 maanden (ooit) gebruik van formele opvang, in Vlaams-Brabant ligt dat aandeel heel wat lager (69,8%). 

Door een koppeling tussen data aanwezig bij Opgroeien kunnen we nagaan of het gebruik varieert naargelang de origine (=geboortenationaliteit) van de moeder en naargelang de kansarmoedesituatie van het gezin. De verschillen zijn duidelijk: 

  • 76,4% van de kinderen met een moeder van Belgische origine gebruikt/gebruikte formele opvang, bij de andere origineclusters ligt dat aandeel heel wat lager. Zo maakt(e) slechts 29,5% van de kinderen met een moeder met geboortenationaliteit van een Maghreb-land gebruik van opvang en gaat het bij kinderen waarvan de moeder afkomstig is uit een Oost-Europees EU land om 41,8% van de kinderen. 

  • Het gebruik van formele opvang ligt duidelijk ook lager bij kinderen die bij geboorte opgroeiden in kansarmoede. Van alle kinderen geboren in kansarmoede maakt/maakte 41,1% gebruik van formele opvang, bij de niet kansarme kinderen gebruikt 70% formele opvang.  

Zowel bij moeders van Belgische, als buitenlandse origine zien we dat het aandeel kinderen in kansarmoede dat opvang gebruikt lager ligt. Bij de kinderen in kansarmoede die een moeder van niet-Belgische origine hebben, ligt het gebruik het laagst (35,8%), bij de kinderen met een moeder van Belgische origine die niet kansarm zijn ligt het gebruik van formele opvang het hoogst (78,1%).  

Gebruik formele opvang volgens kansengroep (terugblik sinds geboorte) 

Het verschil tussen de kansengroepen doet zich in elke provincie voor. Ook in vele gemeenten zien we dat het gebruik verschilt naargelang de kansarmoedesituatie en de origine van de moeder. 

Welk soort formele opvang gebruiken kinderen? 

Op basis van de aanwezigheden in september weten we dat 76,8% van de kinderen die formele opvang gebruiken in een opvanglocatie zit waar ze volgens inkomenstarief kunnen betalen.  

66,9% van de aanwezige kinderen maakt gebruik van groepsopvang, ongeacht of deze opvang met inkomenstarief werkt of niet. Opvang bij onthaalouders is dus nog steeds belangrijk in Vlaanderen, aangezien 1 op de 3 opgevangen kinderen in die context opgevangen wordt. 

Intensiteit van het gebruik van formele opvang door baby’s en peuters 

Gemiddeld zijn kinderen die in hun eerste 3 levensjaren formele opvang gebruikt hebben 263 dagen naar de opvang gegaan. Het aantal dagen varieert naargelang de leeftijd van het kind. In het eerste levensjaar gaat het gemiddeld om 78 dagen, in het tweede levensjaar om 113 dagen en in het derde jaar om 91 dagen. We berekenden deze cijfers voor kinderen geboren in 2019. Het is mogelijk dat het aantal opvangdagen zonder de coronacrisis hoger had gelegen. 

Achter het gemiddeld aantal dagen gaat heel wat variatie schuil. Ongeveer 1 op de 10 kinderen ging maximaal 100 dagen naar de opvang, iets meer dan 1 op 4 (26,6%) maakte tussen de 300 en 400 dagen gebruik en 12,4% ging meer dan 400 dagen.  

Ook qua intensiteit van het opvanggebruik zien we verschillen naar profielkenmerken van het gezin. Kinderen die niet in kansarmoede geboren werden maken intensiever gebruik van opvang, dan kinderen in kansarmoede. Gemiddeld gebruiken kansarme kinderen met een moeder van niet-Belgische origine 90 opvangdagen minder dan niet-kansarme kinderen met een moeder van Belgische origine (188 versus 278). 

Gemiddeld aantal opvangdagen in eerste 3 levensjaren per kansengroep 

Op welke leeftijd starten kinderen in de formele opvang? 

Door de invoering van de kinderopvangtoeslag in het Groeipakket hebben we sinds geboortejaar 2019 voor het eerst van alle kinderen informatie over de leeftijd waarop ze gestart zijn met formele opvang. Van de kinderen geboren in 2019 startte slechts 0,5% vooraleer ze 2 maanden zijn. 21,5% startte met formele opvang wanneer ze tussen 2 en 4 maanden oud waren, 36,9% begon tussen 4 en 6 maanden. Bijna 6 op de 10 kinderen die opvang gebruiken zijn dus ingestapt binnen de 6 eerste levensmaanden. Bijna 13% start na het eerste levensjaar. Kinderen met een moeder van Belgische origine starten duidelijk jonger met opvang.

Aandeel kinderen naar leeftijd waarop gestart in formele opvang 

Hoeveel van de kinderen die formele opvang gebruiken worden in eigen gemeente opgevangen? En van uit welke gemeenten komen kinderen die opvang gebruiken? 

Sinds 2021 weten we van alle kinderen die opvang gebruiken waar ze wonen en waar ze opvang gebruiken. Dat biedt enerzijds de mogelijkheid om voor de opvang in een gemeente na te gaan van waar de kinderen komen, maar maakt het anderzijds ook mogelijk om uit te drukken hoeveel procent van de kinderen opvang in eigen gemeente gebruikt. Via het dashboard 'Wie zit waar in de opvang' kan je per gemeente beide zaken nagaan. In het algemeen stellen we vast dat 26,9% van de kinderen die opvang gebruiken, opgevangen worden in een andere gemeente dan deze waar ze wonen. 

Er is op lokaal vlak heel wat variatie. In de gemeenten Arendonk en Antwerpen wordt meer dan 95% van de kinderen die opvang gebruiken ook in de eigen gemeente opgevangen. In de gemeenten Grobbendonk en Horebeke gaat het om minder dan 30%. Dat er verschillen zijn, kan met meerdere factoren te maken hebben. Het betekent niet noodzakelijk dat er in de eigen gemeente onvoldoende aanbod is, want ouders kunnen er ook bewust voor kiezen om hun kindje in een andere gemeente te laten opvangen (bv. omdat dit dichter bij huis is of meer op weg naar het werk of omdat die opvang qua type of tarief beter aansluit bij hun wensen). 

Hoeveel betalen kinderen met IKT attest per dag in de opvang met inkomenstarief? 

Eind 2021 bedroeg het gemiddelde dagtarief van kinderen opgevangen in een IKT-locatie 14,78 euro. Het gemiddelde tarief fluctueert niet zo veel over de jaren heen

17,5% van de kinderen betaalt hoogstens het standaardminimum, 52,5% betaalt minstens 15 euro per dag. Het aandeel kinderen dat meer dan 25 euro betaalt, is beperkt (5,4%).  

Spreiding van attesten naar inkomenstarief in opvanglocaties met inkomenstarief 

Het inkomenstarief varieert naargelang het inkomen. Het is dan ook logisch dat het gemiddeld tarief van kinderen in kansarmoede heel wat lager ligt dan dat van kinderen die niet in kansarmoede opgroeien. Kinderen met een moeder van Belgische origine blijken een betere inkomenssituatie te kennen, want zij betalen gemiddeld een hoger tarief dan kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. Het verschil in tarief naar origine is beperkt binnen de groep van kinderen in kansarmoede, maar groter binnen de groep van kinderen die niet in kansarmoede opgroeien (16,96 versus 11,19 euro per volledige opvangdag). 

Gemiddeld inkomenstarief voor een volledige opvangdag per kansengroep 

Hoeveel kinderen hebben een IVT en over welke situaties gaat het dan? 

Het inkomenstarief wordt berekend op basis van het inkomen van de ouders en wordt naast de jaarlijkse indexering doorgaans enkel herberekend bij wijzigingen in het gezin of het inkomen. Wie voldoet aan bepaalde voorwaarden of in bepaalde situaties (zoals werkloosheid, opleidingstraject, …) verkeert, kan immers een korting op het tarief of een apart tarief toegekend krijgen. In december 2021 heeft 9,52% van de attesten zo een individueel verminderd tarief, het hoogste aandeel sinds 2017.  

Naast het OCMW tarief (2%) zijn de kortingen omwille van werkloosheid, invaliditeit en opleidingstrajecten de meest voorkomende individueel verminderde tarieven. 

Dat kinderen in kansarmoede gemiddeld een lager tarief hebben, komt ook omdat meer dan een derde van die kinderen een individueel verminderd tarief heeft, waarvan een groot deel een OCMW-tarief.

Aandeel Individueel verminderde tarieven naar kansengroep 

Meer cijfers en rapporten 

Er bestaan meerdere dashboards over het aanbod (aanbod in plaatsen en locaties, starters en stoppers, gesubsidieerde capaciteit) en over het gebruik van opvang. Je vindt deze dashboards en diverse Excel-bestanden op de pagina cijfers op maat.   

Over kinderopvang en het gebruik er van wordt ook geregeld wetenschappelijk onderzoek gevoerd. Op de pagina 'Rapporten' vind je deze terug.