Taal en nationaliteit

Themarapport taal en nationaliteit

Kinderen en jongeren naar nationaliteit 

Begin 2021 had 10,6% van de kinderen en jongeren van 0 tot 24 jaar in het Vlaamse Gewest niet de Belgische nationaliteit (gegevens Statbel). Onder de minderjarigen zien we dat het aandeel kinderen met een andere nationaliteit hoger ligt bij jongere kinderen (12,6% bij de kinderen onder de 3 jaar versus 9,1% bij de 12- tot 18-jarigen).

Aandeel kinderen en jongeren naar Belgische/andere nationaliteit per leeftijdsklasse

Het aandeel minderjarigen met een andere nationaliteit neemt licht toe ten opzichte van 2020 (+0,2 procentpunt). Sinds 2012 is het met meer dan 3 procentpunt gestegen. Sinds 2003 is het aandeel in alle leeftijdsklassen meer dan verdubbeld.

Evolutie aandeel kinderen met Belgische/andere nationaliteit sinds 2012 (per leeftijdsklasse

De provincie Antwerpen telt in alle leeftijdsklassen het grootste aandeel kinderen met een andere nationaliteit. Zo kent Antwerpen in 2021 13,5% minderjarigen met een andere nationaliteit. In West-Vlaanderen ligt dat aandeel heel wat lager (7,5%). Oost-Vlaanderen (8,6%), Vlaams-Brabant (10,3%) en Limburg (10,8%) nemen een tussenpositie in.

Kinderen naar Belgische/andere nationaliteit per provincie

Uit lokale gegevens van Statbel leiden we af dat de verschillen tussen gemeenten aanzienlijk zijn. In 4 gemeenten (Baarle-Hertog, Hamont-Achel, Kraainem en Lanaken) heeft minstens een derde van de kinderen niet de Belgische nationaliteit. In Baarle-Hertog heeft zelfs bijna 1 op de 2 minderjarigen (49,8%) een andere nationaliteit. Er zijn echter ook gemeenten waar heel wat minder kinderen met een andere nationaliteit wonen. Zo ligt het aandeel minderjarigen met een andere nationaliteit in 113 gemeenten lager dan 5%. 

De cijfers van Statbel bevatten echter geen details over de nationaliteiten van de kinderen die niet de Belgische nationaliteit hebben. Via data van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid beschikken we wel over meer info, maar dan enkel in nationaliteitsgroepen en niet voor het meest recente jaar.  

Uit de cijfers van 2020 leren we dat 59,9% van de minderjarigen met een andere nationaliteit een nationaliteit van een ander EU-land had, waarbij 26,2% de nationaliteit had van 1 van onze buurlanden en 22,4% een nationaliteit uit de groep Oost-Europese landen. De grootste groep kinderen met een niet-EU-nationaliteit komt uit Azië, niet zozeer uit Turkije (2%), maar wel uit de andere landen van Azië (16,1%). 3,2% van de kinderen met een andere nationaliteit had de nationaliteit van een Maghreb-land.

Minderjarigen en jongvolwassenen met andere nationaliteit naar nationaliteitsgroep

Bij de jongvolwassenen met een andere nationaliteit ligt het aandeel jongeren met een niet-Europese nationaliteit nog iets hoger (43,4%). Bij de jongste kinderen zien we dat het aandeel kinderen met een Oost-Europese nationaliteit hoger ligt dan het aandeel kinderen met een nationaliteit van een van de buurlanden.

Kinderen en jongeren naar herkomst

Niet alle kinderen met de Belgische nationaliteit hebben die nationaliteit al van bij hun geboorte. Er zijn ook Belgische kinderen van wie de ouders een andere nationaliteit hebben en/of als eerste nationaliteit een andere nationaliteit hadden. Al die mogelijke combinaties qua nationaliteitshistoriek maken het mogelijk om na te gaan hoeveel kinderen een andere herkomst hebben. Herkomst wordt afgeleid van de eigen huidige en eerst geregistreerde nationaliteit en van de eerst geregistreerde nationaliteit van de ouder(s). Meer info over de berekeningswijze vind je op deze link. 

De gegevens van Statbel tonen aan dat in 2021 bijna 39% van de minderjarigen een andere herkomst heeft: 28,2% is Belg met een buitenlandse achtergrond en 10,5% heeft een andere nationaliteit.  

Over de Belgische kinderen met buitenlandse herkomst zijn meer details beschikbaar. Minder dan 1 op de 5 (4,6% van de 28,2%) had zelf een buitenlandse eerst geregistreerde nationaliteit. De meerderheid is dus Belg vanaf de geboorte, maar heeft ouders met een andere herkomst. Daarbij komt het iets vaker voor dat beide ouders een buitenlandse herkomst hebben.

Evolutie minderjarigen naar herkomst

Sinds 2012 is zowel het aandeel Belgische kinderen met een buitenlandse achtergrond als het aandeel kinderen met een buitenlandse nationaliteit toegenomen.

Die gegevens zijn via Statbel ook op lokaal niveau beschikbaar. Daaruit leren we dat in 37 gemeenten meer dan de helft van de minderjarigen een niet-Belgische herkomst heeft (cijfers 2021). Het aandeel minderjarigen met een andere herkomst ligt het hoogst in Baarle-Hertog (83,6%), Machelen (81,8%), Vilvoorde (78,5%), Drogenbos (76,9%) en Antwerpen (75,9%).

Het is belangrijk om op te merken dat een andere nationaliteit of herkomst op zich niet betekent dat het kind zelf gemigreerd is. Volgens Statbel is het geboorteland een betere indicator om aan te duiden of iemand al dan niet een migratiebeweging heeft gemaakt. Uit de cijfers van Statbel blijkt dat heel wat kinderen met een buitenlandse herkomst toch in België zijn geboren. Voor 2021 weten we dat 94,3% van de Belgische minderjarigen met een buitenlandse achtergrond en 48,8% van de niet-Belgische minderjarigen in België zijn geboren.

De cijfers van Statbel over herkomst bevatten echter geen details over het herkomstland of over de leeftijd van de kinderen. Via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid beschikken we wel over meer info, maar niet voor het meest recente jaar.

Uit de KSZ-cijfers over 2020 blijkt dat 24,9% van de minderjarigen een herkomst heeft van buiten de Europese Unie en dat 13,4% een EU-herkomst heeft. Het is duidelijk dat er onder de jongste kinderen meer kinderen van vreemde herkomst zijn dan bij de oudste leeftijdsgroepen (40,9%  bij de kinderen jonger dan 3 jaar, 36,2% bij de 12- tot 18-jarigen en 32,8% bij de jongvolwassenen).

Kinderen en jongeren naar herkomstgroep per leeftijdsklasse

We zien dat de herkomst van de kinderen sterk varieert naargelang de provincie. Antwerpen kent het grootste aandeel kinderen van buitenlandse herkomst (46,4%), waarbij het dan vooral om kinderen van niet-EU-herkomst gaat. In Vlaams-Brabant heeft 44,5% van de minderjarigen een andere herkomst. Limburg kent een bijna even groot aandeel kinderen van vreemde herkomst (43,7%), maar de samenstelling EU en niet-EU is er iets meer gelijkmatig dan in Antwerpen en Vlaams-Brabant. West-Vlaanderen kent het laagste aandeel kinderen met een vreemde herkomst (23,1%). Voor meer details over de herkomstlanden per provincie en per leeftijdsklasse verwijzen we naar dit dashboard.

Minderjarigen naar herkomstgroep per provincie

Borelingen naar geboortenationaliteit moeder 

29,6% van de kinderen geboren in 2021 heeft een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had, een daling met 0,5 procentpunt tegenover 2020. Voor het eerst sinds 2011 neemt het aandeel borelingen met een moeder van niet-Belgische origine af.

Evolutie borelingen naar origine moeder (Belg/niet-Belg)

Er zijn grote provinciale verschillen. Antwerpen heeft het hoogste percentage kinderen met een moeder van niet-Belgische origine (35,7%). In Vlaams-Brabant gaat het om 32% van de borelingen. In West-Vlaanderen ligt het aandeel borelingen met een moeder van niet-Belgische origine aanzienlijk lager dan in de andere provincies (20,3%). Enkel in Oost-Vlaanderen zien we in 2021 een toename (+0,4 procentpunt) van het aandeel borelingen met een moeder van niet-Belgische origine. Vooral in de provincie Antwerpen is de daling in 2021 opvallend (-1,5 procentpunt). Sinds 2012 is de toename het sterkst in Vlaams-Brabant en Oost- en West-Vlaanderen.

Evolutie aandeel borelingen met moeder van niet-Belgische origine (per provincie)

Het gaat om meer dan 170 verschillende nationaliteiten van de moeder bij haar geboorte. De meest voorkomende nationaliteiten zijn Marokkaans (4,3%), Nederlands (2,3%), Roemeens (2,2%) en Turks (1,7%).

Evolutie aandeel borelingen voor de meest voorkomende geboortenationaliteiten van de moeder

In 2021 nam naast het aandeel borelingen met een moeder van Belgische origine ook het aandeel borelingen met een moeder van Nederlandse origine toe. We zien sinds 2014 een duidelijke toename van het aandeel borelingen met een moeder van Roemeense of Afghaanse origine.

Het aandeel borelingen met een moeder van Marokkaanse en Turkse origine nam tegenover 2014 licht af.

De gegevens over de geboortenationaliteit van de moeder van borelingen ontsluiten we ook op lokaal niveau met details per ‘originecluster’. Het aandeel kinderen met een moeder van niet-Belgische origine varieert van 0% (in gemeenten zoals Horebeke en Lo-Reninge) tot 71,4% (Baarle-Hertog). In 10 gemeenten heeft meer dan de helft van het aantal borelingen een moeder van niet-Belgische origine.

Borelingen naar taal moeder-kind 

Bij 29,4% van de kinderen geboren in het Vlaamse Gewest in 2021 is de taal tussen moeder en kind niet het Nederlands. Frans is de meest gebruikte andere taal (6,5%). Arabisch (3,9%) en Turks (2,3%) komen respectievelijk op de tweede en derde plaats.  

Het aandeel kinderen met het Nederlands als taal moeder-kind is voor het eerst in jaren weer toegenomen (+0,6 procentpunt tegenover 2020).  Dat er in 2021 meer kinderen met een moeder van Belgische en Nederlandse origine werden geboren zal daar zeker mee te maken hebben. Het aandeel Arabisch en Turks als taal moeder-kind is wat afgenomen.  

Sinds 2013 zien we een duidelijke toename van het aandeel kinderen dat thuis Frans en Roemeens spreekt met hun moeder. 

Evolutie aandeel borelingen per taal moeder-kind (meest voorkomende talen)

Er zijn grote provinciale verschillen. In Vlaams-Brabant spreekt 45,1% van de kinderen een andere taal met hun moeder, in Antwerpen 31,7%. In Oost-Vlaanderen (26,0%), Limburg (21,4%) en West-Vlaanderen (19,3%) liggen die percentages heel wat lager. Het aandeel borelingen dat geen Nederlands spreekt met de moeder is in 2021 in 4 van de 5 provincies gedaald. Enkel in West-Vlaanderen is er een stijging (+0,6 procentpunt).

Evolutie (per provincie) van het aandeel borelingen met taal moeder-kind niet Nederlands 

Sinds 2014 is het aandeel kinderen met een andere taal tussen moeder en kind niet overal jaarlijks toegenomen. In Vlaams-Brabant, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen bedraagt de stijging tegenover 2014 wel meer dan 4 procentpunt.

In Antwerpen en West-Vlaanderen komt Arabisch als vreemde taal het meest voor (respectievelijk 5,6% en 3,1%). In Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen is dat Frans (respectievelijk 24,2% en 4,5%) en in Limburg is Turks (5,9%) de meest voorkomende vreemde taal tussen moeders en borelingen die eind 2021 nog in de betreffende provincie woonden.

Op gemeentelijk vlak varieert het aandeel borelingen met taal niet-Nederlands tussen 0% en 98% (Kraainem). In 21 gemeenten spreken moeders van meer dan de helft van de borelingen een andere taal met het kind.

Taalsituatie in gezin bij leerlingen Vlaams onderwijs 

Voor het schooljaar 2020-2021 zien we op basis van gegevens van het Departement Onderwijs en Vorming dat 22,7% van de kleuters als thuistaal niet het Nederlands heeft. Bij kinderen in het lager onderwijs is dat 20,2% en bij leerlingen in het secundair onderwijs is dat 17,5%. In de afgelopen 10 schooljaren nam het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal jaar na jaar toe.

Evolutie van het aandeel leerlingen met thuistaal niet Nederlands 

De gegevens van het Departement Onderwijs en Vorming zijn ook publiek en op lokaal niveau beschikbaar. Om een geïntegreerd beeld te kunnen schetsen van de taalsituatie van zo veel mogelijk kinderen hebben we de gegevens over de thuistaal opgeladen in het lokaal dashboard met nationaliteits-, herkomst- en taalgegevens, zodat de gegevens van Kind en Gezin én Onderwijs per gemeente bekeken en in een oogopslag vergeleken kunnen worden.