Beroepsgeheim

Integriteits- en veiligheidsgerichte uitzonderingen

Soms is er een reëel gevaar voor je cliënt, waardoor je als hulpverlener of als burger wel bepaalde stappen moet zetten.
Ga snel naar...

De noodtoestand

De noodtoestand is een rechtvaardigheidsgrond, vermeld in artikel 13 van het Strafwetboek. 

Een noodtoestand is een situatie waarin het overtreden van strafrechtelijke bepalingen het enige middel is om andere, meer belangrijke, waarden of belangen te vrijwaren. In die situatie is het schenden van een strafbepaling geen misdrijf, omdat het gerechtvaardigd is door een hoger belang.

Om van een noodtoestand te kunnen spreken, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan:

  • er moet een daadwerkelijk, ernstig en acuut gevaar dreigen
  • het belang of de waarde die men wil beschermen minstens van gelijke waarde zijn als het belang of de waarde uit de bepaling die men wil schenden
  • het doorbreken van het beroepsgeheim moet de enige mogelijkheid zijn om het gevaar af te wentelen.

Wanneer de psychische of fysieke integriteit van personen ernstig en daadwerkelijk gevaar loopt, mag je het beroepsgeheim doorbreken als dit de enige manier is om de persoon te helpen. Je mag dan derden (de politie, parket, ouders, leerkracht,etc.) bij de situatie betrekken die beter geschikt zijn om het gevaar aan te pakken dan jijzelf. 

Ter verduidelijking

Wanneer een zestienjarige jongen een hulpverlener laat weten dat hij van plan is om zich later op de dag van het leven te beroven, kan de hulpverlener zijn beroepsgeheim doorbreken om dit te proberen verhinderen. Er is in dat geval sprake van een daadwerkelijk, acuut gevaar en dus van een noodtoestand. De bescherming van het leven van de jongen is in dat geval een hoger rechtsgoed dan het bewaren van het beroepsgeheim.

Aangezien de jongen in deze casus bovendien in ‘groot gevaar’ verkeert, zal de hulpverlener zelfs verplicht zijn om te handelen, en eventueel om zijn beroepsgeheim te doorbreken om zich niet schuldig te maken aan het misdrijf ‘schuldig hulpverzuim’. 

Schuldig verzuim

Ook het ‘schuldig verzuim’ kan iemand onder bepaalde omstandigheden zijn beroepsgeheim doen doorbreken. Art. 299 Sw. bevat de verplichting om hulp te verlenen aan een persoon die in actueel en reëel gevaar verkeert. Wanneer iemand niet zelf kan helpen, moet de tussenkomst van derden gevraagd worden. Hierbij kan het nodig zijn dat bepaalde vertrouwelijke informatie doorgegeven wordt. In dat geval zal je je vertrouwensband en beroepsgeheim dus moeten afwegen tegen de ernst van het gevaar.

Het schuldig hulpverzuim houdt niet in dat je persé het beroepsgeheim moet doorbreken bij politie en parket. Je kan ook op een andere manier helpen, bijvoorbeeld door andere hulpverleners in te schakelen. De wettelijke bestanddelen van het misdrijf schuldig verzuim zijn:

  • Er is sprake van een noodtoestand of acuut en reëel gevaar
  • Verzuim om hulp te verlenen: de persoon die op de hoogte is van het gevaar, helpt de persoon in gevaar niet;
  • Opzet: je beslist bewust om geen hulp te verlenen, ook al ben je op de hoogte van het gevaar;
  • De verplichting om hulp te verlenen geldt enkel als je kan helpen zonder gevaar voor jezelf of voor anderen.

Artikel 299bis Sw. geldt niet enkel ten aanzien van hulpverleners, maar is van toepassing op elke burger. Het is wel zo dat van hulpverleners verwacht wordt dat zij beter in staat zijn om een gevaarsituatie in te schatten en dat zij beter op de hoogte zijn van het bestaande hulpverleningsaanbod.

Cliënt is slachtoffer van een misdrijf

Volgens vaste cassatierechtspraak is er geen schending van het beroepsgeheim als een hulpverlener strafbare feiten waarvan zijn cliënt het slachtoffer is, meedeelt aan het parket of aan gerechtelijke politie.

De slachtofferrechtspraak vormt een rechtvaardigingsgrond die – anders dan de noodtoestand – ook zonder ernstig, acuut gevaar kan worden ingezet.

De toestemming van het slachtoffer is geen voorwaarde. Een hulpverlener kan aangifte doen bij het parket, zelfs al weet of wil het slachtoffer dat niet. Je moet hier wel afwegen wat de gevolgen van zo een aangifte kunnen zijn voor het slachtoffer en jouw vertrouwensband met het slachtoffer. Soms kan het beter zijn om het slachtoffer te ondersteunen zodat die zelf een aangifte kan doen.

Misdrijven gepleegd op minderjarige of kwetsbare personen

Art. 353, §1 van het Strafwetboek is een wettelijke verankering van een specifieke soort noodtoestand. Het artikel voert de mogelijkheid in om het beroepsgeheim te doorbreken en de procureur des Konings in te lichten wanneer bepaalde misdrijven werden gepleegd op een minderjarige of op kwetsbare personen. 

Het gaat om onder meer om kindermishandeling, mensenhandel (zoals tienerpooierschap), alle soorten niet-consensuele seksuele handelingen, aanzetten tot prostitutie, genitale verminking, verlating en verwaarlozing van een minderjarige,...etc.

Kwetsbare personen zijn bejaarde personen, zieken, zwangere vrouwen, slachtoffers van intrafamiliaal of eergerelateerd geweld, of personen met een lichamelijke of mentale handicap. 

Volgende voorwaarden moeten vervuld zijn om de procureur te mogen inlichten:

  1. De drager van het beroepsgeheim moet voldoende aanwijzingen hebben dat een misdrijf vermeld in artikel 353, §1 al gepleegd werd.
  2. Het slachtoffer van dit gepleegde misdrijf is een minderjarige of een kwetsbare persoon.
  3. Er is op het moment van de melding nog steeds sprake van: 
    • Een ernstig, dreigend gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van het slachtoffer van het misdrijf zelf  OF
    • Een gewichtig en reëel gevaar voor andere minderjarigen of kwetsbare personen.
  4. De drager van het beroepsgeheim is niet in staat om deze integriteit zelf of met hulp van anderen te beschermen.

Deze laatste voorwaarde wordt ook wel het subsidiariteitsbeginsel genoemd: indien mogelijk moet je binnen de hulpverlening naar oplossingen zoeken bv. door een aanmelding bij een gemandateerde voorziening te doen. 

Art. 353, §1 voorziet in een meldingsrecht en geen meldingsplicht. Het verwittigen van de procureur des Konings is dus niet verplicht, maar als je weet dat iemand in groot gevaar verkeert, zal je natuurlijk wel iets moeten ondernemen om deze persoon te helpen, anders pleeg je schuldig hulpverzuim.

TIP

Twijfel je of een aangifte bij de procureur gerechtvaardigd zou zijn? Dan kan je steeds de procureur opbellen en de casus eens anoniem aftoetsen. Het is hierbij zeer belangrijk nog geen informatie te geven die ervoor kan zorgen dat betrokkenen in de casus geïdentificeerd kunnen worden. De procureur kan dan samen met jou bekijken of een melding gerechtvaardigd kan zijn onder één van de vorige uitzonderingsgronden. 

Verontrusting Integrale Jeugdhulp

Wanneer een hulpverlener wordt geconfronteerd met een situatie van verontrusting, zijn er diverse instrumenten ter beschikking om op gepaste wijze met de verontrusting te kunnen omgaan. 

Het Decreet Integrale Jeugdhulp rekent in de eerste plaats op de individuele hulpverlener om zelf aan de slag te gaan met verontrusting alvorens een beroep te doen op gespecialiseerde actoren of een melding te maken bij een gerechtelijke instantie. 

Indien een hulpverlener de gemotiveerde inschatting maakt dat hij zelf niet langer de ontwikkelingskansen of integriteit van de minderjarige of het gezin waartoe hij behoort kan garanderen, kan hij zich richten tot een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling of Ondersteuningscentrum Jeugdzorg. Dit kan de vorm aannemen van een consult bij een gemandateerde voorziening of, in geval van blijvende ongerustheid, van een aanmelding. 

In principe moeten cliënten geïnformeerd zijn over deze aanmelding. Het is dus aan jou om in gesprek te gaan met het gezin over de verontrusting en de reden waarom je een aanmelding gaat doen bij een gemandateerde voorziening. Van die voorafgaande informatieplicht kan wel afgeweken worden als dit niet in het belang van de minderjarige zou zijn.

Volgens art. 76 Decreet integrale jeugdhulp kan je het beroepsgeheim doorbreken om informatie door te geven aan de gemandateerde voorzieningen in kader van een aanmelding of onderzoek naar een verontrustende situatie.  

Casusoverleg met oog op bescherming fysieke op psychische integriteit

Het artikel 353, §2 van het Strafwetboek voert een uitzondering in om een intersectoraal casusoverleg mogelijk te maken georganiseerd met het oog op:

  1. de bescherming van de psychische of fysieke integriteit van personen; of
  2. ter voorkoming van terroristische misdrijven of misdrijven gepleegd in het raam van een criminele organisatie.

Het overleg moet georganiseerd worden krachtens een wet, decreet of ordonnantie, of met de gemotiveerde toestemming van de procureur des Konings. Er kan verwezen worden naar de praktijk van casuscoördinatie of ketenaanpak. Bij deze multidisciplinaire samenwerking werken justitie, politie, protectionele en hulpverlenende actoren casusgericht samen om hun acties binnen één traject op elkaar af te stemmen.

Voorbeelden hiervan zijn casusoverleg – en coördinatie binnen de Veilige Huizen, Lokale Integrale Veiligheidscellen ter voorkoming van terroristische misdrijven, of ketenaanpak jeugddelinquentie.