Omgaan met verontrusting: "Geef kinderen een stem en laat het echt over hen gaan"

Ann Van Loy, beleidsmedewerker Geïntegreerd Gezinsbeleid bij Kind en Gezin

Bij een vermoeden van verontrusting moet nog meer aandacht gaan naar de allerkleinsten, vindt beleidsmedewerker Geïntegreerd Gezinsbeleid Ann Van Loy. “We moeten ook alert zijn als nog geen duidelijke signalen zijn.” Zoals bij baby Nathan, wiens fysieke ontwikkeling vlot liep. Toch leed hij heel erg onder de situatie thuis. Een blik op de stappen die het lokale Kind en Gezin-team samen met partners heeft gezet om het voor Nathan opnieuw veilig te maken.

Voor ongeveer 11% van de kinderen organiseren de 57 lokale Kind en Gezin-teams multidisciplinair overleg. Tijdens zo’n overleg bespreken de teamleden elk vanuit hun eigen discipline de situatie in een gezin, omdat ze zich zorgen maken over de kinderen. Zo ook bij Nathan*.

Veel spanningen

Nathan is het eerste kind van Maurena* en Tim*. Maurena is van niet-Belgische origine en heeft geen groot netwerk. Tim heeft wel een netwerk, maar daar heeft hij weinig contact mee. Kind en Gezin ontmoet hen voor het eerst twee weken na de bevalling, tijdens het huisbezoek dat past in het algemene aanbod. De spanningen, vooral over de zorg en opvoeding van Nathan, vallen op.

De volgende contacten zijn de gehoortest en de eerste consultatie in het consultatiebureau rond vier weken. Medisch is alles in orde, maar ook de arts van het consultatiebureau merkt de gespannen sfeer op en spreekt de verpleegkundige die het gezin opvolgt erover aan. Tijdens het volgende geplande huisbezoek is papa Tim onverwacht afwezig. Maurena vertelt de verpleegkundige dat de vele ruzies heel zwaar wegen. Ze wil graag verandering, maar ze ziet zelf geen oplossing.

Eerste crisisoverleg

De verpleegkundige bekijkt samen met Maurena welke hulp ze kan inschakelen. Omdat de spanningen op dat moment groot zijn, neemt zij contact op met het crisismeldpunt. Bij het eerste gesprek met het crisisteam is naast Maurena, Tim en de verpleegkundige ook een medewerker van het Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) aanwezig. Er wordt een kort intensief traject gestart om de ruzies tussen de ouders te verminderen.

Maurena en Tim houden zich even aan de afspraken, maar vervallen nadien in de oude patronen. Het crisisteam adviseert om langere tijd in begeleiding te gaan, maar het lukt Maurena en Tim niet om de afspraken na te komen, ook niet met de steun van de verpleegkundige.

Intussen blijft het algemene Kind en Gezin-aanbod voor Nathan met consultaties en vaccinaties lopen. Tijdens een overleg van het multidisciplinaire Kind en Gezin-team komen alle gezinnen aan bod waarover de teamleden vragen hebben. Voor Nathan en zijn ouders staat het team stil bij de vraag: wat kunnen we nog doen voor hen alle drie?

Grote bezorgdheid

Het team wil beide kanten van het verhaal horen en nodigt Maurena en Tim uit voor een gesprek. Dat vindt plaats op het consultatiebureau – en niet bij het gezin thuis – omdat Tim eerder al verbaal agressief was. De psychopedagoog leidt het gesprek en benadrukt dat er geen standpunt of oordeel wordt ingenomen. Ze uit grote bezorgdheid over de gevolgen van de vele ruzies voor Nathan, die ondertussen 14 maanden is. Fysiek is de peuter in goede gezondheid. De psychopedagoog is echter bezorgd over de impact van de vele ruzies op Nathan. Zo vertellen zijn ouders dat hij in het begin wel nog huilde bij ruzies, maar dat hij er nu niet meer op reageert.

Verandering

Er moet dringend verandering komen. Tijdens het gesprek wordt echter duidelijk dat er geen opties meer zijn. Omdat er vrijwillig geen verdere stappen meer in het belang van Nathan kunnen gezet worden, start de psychopedagoog een aanmelding, in dit geval bij het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK). De psychopedagoog legt aan Maurena en Tim duidelijk de volgende stappen uit.

Na de aanmelding en een gesprek met de ouders en de psychopedagoog kan het VK een sociaal onderzoek doen en zo via een huisbezoek, contacten met andere betrokkenen zoals familie, vrienden, kinderopvang, andere hulpverleners … inschatten of er maatschappelijke noodzaak voor hulp is. Die hulp kan vrijwillig zijn of opgelegd door de jeugdrechter via het parket.

Ook na die aanmelding blijft de psychopedagoog de contactpersoon tussen het VK en Maurena en Tim. Na die aanmelding probeert het Kind en Gezin-team contact te houden met het gezin. Maurena en Tim zijn boos over de aanmelding en geven aan dat ze geen contact meer willen met Kind en Gezin. De ouders zetten ook de opvolging op het consultatiebureau stop.

*Omwille van de privacy zijn de namen van de betrokkenen fictief.

Ann Van Loy, beleidsmedewerker Geïntegreerd Gezinsbeleid bij Kind en Gezin

Ann Van Loy

  • 32 jaar
  • Werkt sinds 2014 voor Kind en Gezin
  • Sinds juni 2020 beleidsmedewerker Geïntegreerd Gezinsbeleid, volgt het thema ‘verontrusting’ op
  • Was daarvoor achtereenvolgens teamverantwoordelijke, opvoedingsconsulent en psychopedagoog in het Kind en Gezin-team Neteland
  • Opleiding: master orthopedagogiek

Wat doet een psychopedagoog?

  • Psychopedagoog is een van de functies in de multidisciplinaire teams van Kind en Gezin.
  • Samen met collega’s uit andere functies ondersteunen de psychopedagogen de geïntegreerde gezinstrajecten.
  • Ze helpen gezinnen vooral bij vragen over opvoeding, ouderschap en verontrusting.
  • Daar komt heel wat bij kijken: rechtstreeks contact opnemen met gezinnen, teamleden ondersteunen en ook contact nemen met partners, zoals ziekenhuizen, vroedvrouwen, OCMW’s, CAW’s, CKG’s, Pleegzorg Vlaanderen , het CLB voor iets oudere kinderen …”

Wat kunnen de volgende stappen zijn na de aanmelding?

Ann: “Alles hangt sowieso van de situatie af. Als er tijdens het eerste gesprek van het VK met de ouders grote bezorgdheden zijn, dan worden soms al meteen afspraken gemaakt om de situatie voor het kind draaglijk te houden. Dat kan zijn: extra hulp van familie of vrienden inschakelen, eisen dat het gezin gaat inwonen bij de grootouders, hulpverlening opstarten … Bij acute gevallen van intrafamiliaal geweld waarbij de ouders geen probleeminzicht hebben, kan het VK beslissen om geen sociaal onderzoek te doen en het dossier meteen naar het parket te sturen. Dan kunnen er direct maatregelen opgelegd worden.” 

Welke opties heeft de jeugdrechter als ouders niet vrijwillig meewerken? 

“De jeugdrechter kan alles opleggen wat mogelijk is: contextbegeleiding aan huis (intensief of minder intensief), verwachten dat het kind elke dag naar de kinderopvang gaat omdat dat beter is voor de ontwikkeling, uithuisplaatsing, pleegzorg ... 

Het hele traject heeft in dit geval grote gevolgen voor de relatie tussen het Kind en Gezin-team en de ouders. Is dat altijd zo?

“Soms blijven de ouders of een van hen wel nog contact houden met het team. Maar het is zeker niet evident. Als ouders – zoals bij Nathan – echt geen contact meer willen, melden we dat aan het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) of het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ). We klampen sowieso zo lang mogelijk aan en blijven contact zoeken.”

Alles heel grondig bespreken met de ouders is hoe dan ook essentieel. Zij moeten weten waarom de aanmelding gedaan is. Ook al zijn de ouders niet akkoord, die duidelijkheid is een belangrijke basis waardoor de communicatie nadien makkelijker loopt. Het blijft natuurlijk wel een moeilijke boodschap.”

“Het is geen exacte wetenschap en het is niet altijd makkelijk om af te wegen wat je wel of niet kunt doen. Daarom is het ook belangrijk om niet alles alléén te doen. Bij mij helpt het ook om erover te praten, met collega’s uit mijn team, of net met iemand die de casus niet kent, met psychopedagogen uit andere teams, collega’s uit Vlaamse teams, of extern bij de consultfunctie van VK en OCJ … Er zijn veel mogelijkheden."

Hoe heeft het Kind en Gezin-team de case van Nathan ervaren? 

“Alle collega’s binnen het team met elk hun eigen functie (zoals de verpleegkundige, psychopedagoog, sociaal werker, gezinsondersteuner …), hebben goed samengewerkt. Ook de consultatiebureau-arts was betrokken. Er waren pogingen om het gezin vrijwillig naar hulp toe te leiden en alles is open en transparant met de ouders besproken. Blijft de vraag: wanneer zijn de mogelijkheden uitgeput en beslis je om het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) of het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ) in te schakelen? Daar bestaat meestal geen pasklaar antwoord voor. Misschien had er sneller een stap richting aanmelding kunnen gezet worden, misschien ook niet. Teamleden hebben daar soms een andere mening over. Het is goed om daarbij stil te staan en er uit te leren.”  

Wat is verontrusting? 

“Ik gebruik vaak de definitie van integrale jeugdhulp. Daarin zitten verschillende aspecten. Er is sprake van verontrusting wanneer de ontwikkelingskansen van een minderjarige worden bedreigd. Dat kan veel betekenen: als een kind niet genoeg gestimuleerd wordt, worden zijn ontwikkelingskansen bedreigd. Dat is ook zo voor een kind dat opgroeit in intrafamiliaal geweld. Het kind heeft constant stress, kan zich niet volledig ontplooien en bouwt daardoor ook veel minder vertrouwen in de omgeving op. Zowel de fysische, psychische als seksuele integriteit kunnen bedreigd zijn. Fysieke letsels, zoals blauwe plekken die bewust zijn toegebracht, breuken die niet op een logische manier te verklaren zijn en seksueel overschrijdend gedrag zijn vanzelfsprekend alarmerende signalen.”  

Welke signalen wijzen op verontrusting?

“Er zijn er veel. De signalen zijn niet specifiek voor verontrusting, ze kunnen ook wijzen op andere problemen, of gelinkt zijn aan een bepaalde fase in de ontwikkeling van het kind. Het is belangrijk om die signalen in de volledige context te plaatsen en te kijken naar de combinatie.”

“De signalen kunnen zich op verschillende domeinen voordoen: bij gedrag en emoties (zoals eetproblemen, slaapproblemen, angstig gedrag, weinig emoties, vertraging in de ontwikkeling), interactie met anderen (hoe de de ouders hun kind troosten, hoe een kind reageert op  vreemden ...), de omgeving (gebrekkige lichamelijke verzorging, onvoldoende medische zorg, ruzie en agressie tussen ouders …) of lichamelijk(blauwe plekken, breuken, brandwonden ...). Maar je moet interpreteren en combineren. Zo hoeft niet elke blauwe plek of breuk een signaal van verontrusting te zijn.”

Jongen kijkt beetje triest door het raam, zijn hoofd op rust op zijn handen

Hoe beoordelen jullie een situatie?

“Het is belangrijk om aandacht te hebben voor signalen op verschillende domeinen. Een vertraagde ontwikkeling kan alarmerend zijn, zoals een opvallend lage gewichtscurve, een curve die afbuigt of een hoofdomtrek die plots stijgt (wat kan wijzen op Shaken Infant Syndrome, red.). Net als veel huilen, minder goed eten, slechter slapen. Of ouders die zich niet goed voelen en aangeven dat de zorg voor hun kind zwaar valt: ze kunnen het niet verdragen dat hun kind huilt of ze koppelen heel negatieve interpretaties aan het gedrag van hun kind (‘Die doet dat om mij te pesten’). Het volledige plaatje bepaalt of er al dan niet sprake is van verontrusting.”

Hoe kunnen die signalen opgevangen worden? 

“Langs verschillende wegen, en het gaat zowel over verbale als non-verbale signalen. In de eerste plaats via de ouders. Huisbezoeken geven meestal extra context. Maar ouders vertellen zeker niet altijd alles en we vangen ook niet alle signalen rechtstreeks via de ouders op. Ook de omgeving van het gezin kan zijn ongerustheid uiten, of andere professionals zoals een arts of de kinderopvang die ze zich zorgen maakt.” 

Wat maakt het soms zo moeilijk om verontrusting op te merken?

Er zijn niet altijd duidelijk signalen. Dat was ook zo bij Nathan. Heel jonge kinderen hebben weinig opties om uit te drukken dat het niet goed gaat. Veranderingen in huilen, slapen, eten, ontwikkelen: dat zijn mogelijke signalen en die blijven we uiteraard het liefst vóór. Als die signalen er niet zijn, is het moeilijk om ouders te laten inzien dat er reden tot bezorgdheid is. En om hulpverleners te overtuigen van de urgentie.”

“We vinden niet altijd – of niet meteen – aansluiting bij de hulpverlening. Dat kan verschillende redenen hebben, zoals moeilijke bereikbaarheid, plaatsgebrek op het moment dat de hulpvraag wordt gesteld of een verschillende kijk op een situatie.”  

Heel jonge kinderen hebben weinig opties om uit te drukken dat het niet goed gaat. 

Zie je daarin ook verbetering?

“De laatste jaren is er meer aandacht voor het welbevinden en psychisch welzijn van heel jonge kinderen, en het belang van de eerste duizend dagen, ook dankzij het werk van bijvoorbeeld kinderpsychiater Binu Singh. Toch krijgen we soms te horen ‘Het kind doet het toch nog goed’, als we ons ons zorgen maken. Dan kan ik alleen maar zeggen: ‘Gelukkig maar! Laat ons niet wachten tot we signalen zien in de ontwikkeling die op iets anders wijzen.’ Er wordt nog niet altijd op dezelfde manier naar verontrusting gekeken.”

Zijn de jongste kinderen een vergeten groep?

“De allerkleinsten zijn volledig afhankelijk van volwassenen. Tijdens gesprekken met ouders is het voor mij belangrijk om het standpunt van het kind voldoende in te nemen. Het komt er dan op aan om de stem van het kind te zijn: ‘Wat betekent dat voor jouw dochter? Hoe voelt ze zich daar bij?’ Dat speelt zeker niet alleen bij verontrusting, maar op elk moment. Ook in gewone dagdagelijkse contacten kun je dingen oppikken die ouders misschien niet gezien hebben. ‘Ik zie je zoon dat doen, wat zou het willen zeggen?’ Ook dan kun je het kind centraal stellen.”

“We waren bij Nathan snel gealarmeerd omdat we weten dat spanningen in een gezin veel effect kunnen hebben op de ontwikkeling van heel jonge kinderen, ook al delen zij niet in de klappen. Het feit dat ze constant in die stress zitten heeft een grote impact.”

“Er is nog een bijkomende reden waarom jonge kinderen onze aandacht verdienen: zij hebben afstemming met volwassenen nodig om te kunnen leren. Als een aantal van hun basisbehoeften niet vervuld worden, leren ze sommige dingen niet waardoor hun ontwikkelingskansen in hun latere leven ook gehypothekeerd worden. Dat sluit helemaal aan bij de missie van Opgroeien. Kansrijk opgroeien realiseren betekent voor mij ook: een stem geven aan die jongste kinderen.”

Beleidsmedewerker Ann Van Loy: Onze missie is kansrijk opgroeien realiseren. Dat betekent ook: een stem geven aan de jongste kinderen.

De Kindreflex wil mee het taboe doorbreken over hulp inschakelen als ouder en oog hebben voor de veiligheid van kinderen bij psychische problemen en verslaving. Bestaat dat taboe nog?  

“De Kindreflex is er vooral voor hulpverleners die werken met volwassenen. Zo is er een kader om ook sneller over die problemen voor kinderen te spreken. Sommige hulpverleners doen dat al veel langer spontaan, maar dat is niet altijd zo. Ik herinner mij een case waarbij de financiële ondersteuning van een gezin met vier kinderen was stopgezet. Daardoor was er geen eten meer voor dat gezin. Ik spreek me niet uit over die beslissing en of die terecht was, maar er werd toen niet de reflex gemaakt: wat betekent dit voor de kinderen uit dat gezin? Dankzij de Kindreflex zou hun perspectief wel eerder aan bod kunnen komen”.

“Er zijn nog veel kansen om meer preventief te werken, en daarvoor is de Kindreflex zeker een hulp. Het is positief dat de Kindreflex sinds enkele maanden ook kan toegepast worden in ziekenhuizen, Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW’s) en de geestelijke gezondheidszorg. Er is nog veel verschil tussen diensten en individuele hulpverleners. Het is nog steeds niet evident dat altijd de brug met de kinderen wordt gemaakt wanneer een volwassene in de hulpverlening wordt geholpen, bijvoorbeeld bij een drugsproblematiek.” 

Experts benadrukken dat iedereen alert moet zijn en verontrusting en kindermishandeling moet durven te signaleren. Welke rol speelt Kind en Gezin daarin?

“Kind en Gezin kan via allerlei kanalen aangesproken worden wanneer mensen zich zorgen maken over (kleine) kinderen: via de Kind en Gezin-Lijn, rechtstreeks bij een verpleegkundige (een buurvrouw die een verpleegkundige aanspreekt na een huisbezoek bijvoorbeeld), tijdens de consultatie (wanneer een oma bij de arts de bezorgdheden over haar kleinkind deelt) ... Er is ook het meldpunt 1712, en uiteraard komen veel meldingen binnen via de Vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s), de ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ) en de sociale diensten jeugdrechtbank (SDJ’s).”

“Bezorgdheden over jonge kinderen moeten ergens kunnen landen. Het zijn ook niet altijd de grote, complexe problemen die aan bod komen. Zo herinner ik me een gescheiden vader die het moeilijk had om zijn kind goed te verschonen en aan te kleden. Tijdens een gesprek hebben we hem kunnen helpen en al zijn vragen beantwoord.”

In het eigen netwerk zitten vaak heel veel krachten. Van kleine dingen tot grote zorgvragen: als je alles samen legt, kom je vaak al vrij ver.

Hoe ga je om met moeilijkere gesprekken met ouders?

“Je kunt het verloop van een gesprek nooit voorspellen, maar toen ik nog psychopedagoog was, hielp het mij als ik me kon voorbereiden: wat wil ik benoemen en wat wil ik uiteindelijk bereiken? Die voorbereiding maakte ik soms alleen, of met een collega die het gezin kende.”

“Tijdens het gesprek is het belangrijk om genoeg aandacht hebben voor wat wél goed loopt. Het blijft altijd een evenwichtsoefening: verbinding zoeken en toch duidelijk genoeg je boodschap brengen, ook al horen ouders die niet graag. Achteraf praatte ik graag met collega’s over hoe het gelopen is.”

“Het stappenplan van Kind en Gezin hielp me om de verschillende stappen te doorlopen en alles vanop een afstand te bekijken en te objectiveren. Wat ook deugd doet: ik speel twee keer per week badminton. Na een lastige dag vliegt het pluimpje nogal (lacht).”

Wat doe je als je een case moeilijk kunt loslaten? 

“Enkele maanden geleden had een situatie zoveel impact dat ik aan een collega heb gevraagd om genoeg tijd vrij maken zodat ik het volledige verloop van a tot z kon overlopen en alle details kwijt kon. Ik heb de neiging om streng te zijn voor mezelf, en ik wou echt van haar vernemen wat zij van mijn aanpak vond. Het hielp dat ze aangaf dat het vanop afstand altijd makkelijker oordelen is, en dat ik de juiste stappen had gezet.”

“Zij maande me ook aan om expliciet tijd te nemen om die zaak administratief grondig af te sluiten. Meestal registreren we alles tussendoor, maar het heeft me geholpen om daar bewust tijd voor in te plannen. Nadien heb ik ook nog een gesprek gehad met de interne vertrouwenspersoon. Zo kon ik mijn verhaal nog eens doen. Niet iedereen heeft die reflex misschien, maar voor mij hielp dat zeker.”

Ann Van Loy, beleidsmedewerker Geïntegreerd Gezinsbeleid bij Kind en Gezin

Cijfers voor het eerst gebundeld

Meldingen over (vermoedens van) kindermishandeling en verontrusting komen in Vlaanderen bij diverse organisaties terecht. In Het kind in Vlaanderen 2019 bundelt Opgroeien voor het eerst cijfers uit verschillende bronnen:

  • Via het centraal telefoonnummer 1712 waar burgers alle mogelijke situaties van geweld kunnen melden: 4411 oproepen over minderjarigen.
  • Vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s) en ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ’s) ontvangen meldingen van professionele zorg- en hulpverleners.

Bij de VK’s:

  • 8920 unieke kinderen gemeld, waaronder meer dan 1000 MANO-meldingen, waarbij er een vermoeden is dat het maatschappelijk noodzakelijk is dat de overheid ingrijpt,
  • Bij 33% gaat het om vermoedens van emotionele mishandeling of verwaarlozing,
  • Bij 29,5% om (vermoeden van) lichamelijke mishandeling of verwaarlozing.

Bij de OCJ’s:

  • Iets minder dan 5000 kinderen gemeld voor maatschappelijke noodzaak (MANO).

 

  • De OCJ’s en VK’s maken dossiers over aan het parket, dat een jeugdrechter kan vorderen. De sociale diensten jeugdrechtbank (SDJ’s) begeleiden die gerechtelijke dossiers. In 2019 hadden die betrekking op 3331 kinderen.
  • Tegenover 2018 is er een stijging van het aantal meldingen en het aantal gemelde unieke kinderen: bij VK’s + 3%, bij OCJ’s + 6,5% en bij SDJ’s + 5%.
  • De stijging kan zowel wijzen op een toegenomen probleem als op een verhoogde alertheid en/of verhoogde kennis over de rol van de VK’s en OCJ.

Andere cijfers

België en Vlaanderen 

  • Tijdens de maand april 2020 kreeg de federale politie 30% meer meldingen van kindermisbruik. Midden juli trok Child Focus aan de alarmbel over de enorme stijging - sinds de lockdown in maart 2020 - van het aantal dossiers rond de aantasting van de seksuele integriteit van kinderen: 135, tegenover 60 in dezelfde periode in 2019. Het aantal meldingen van beelden van seksueel misbruik van kinderen - 679 - was sinds maart verdrievoudigd in vergelijking met vorig jaar. Harde cijfers die duidelijk aantonen dat de coronacrisis een grote impact heeft voor veel kwetsbare gezinnen en kinderen.  
     
  • Voor ongeveer 11% van de kinderen wordt binnen de lokale Kind en Gezin-teams multidisciplinair overleg georganiseerd. Het gaat meestal over situaties waarbij er ongerustheid is over de kinderen. Tijdens dat overleg bespreken de teamleden de case vanuit hun verschillende disciplines. De teams houden alle gegevens ook bij in de dasboards op intranet. 
     
  • De lokale Kind en Gezin-teams gaan op huisbezoek bij ruim 92% van de gezinnen, binnen de 3 maanden na de geboorte. Die bezoeken zijn belangrijk in de preventie en snelle opsporing van kindermishandeling. 

Internationaal 

  • 15% van de kinderen leeft wereldwijd in een risicovolle situatie en 3% krijgt te maken krijgt met ernstige vormen van kindermishandeling waarbij gespecialiseerde hulp nodig is. 
     
  • 1 op 7 gezinnen krijgt te maken met partnergeweld.